De kinderrechter in Den Haag heeft op 17 oktober 2025 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleegzorgvoorziening. De gecertificeerde instelling handhaafde het verzoek tot verlenging voor acht maanden, met als doel verdere onderzoeken naar het perspectief van de minderjarige en de rol van de pleegmoeder.
Tijdens de zitting waren de moeder, pleegmoeder, hun advocaten, en begeleiders van VUHP en Pleegzorg aanwezig. De moeder verzocht om een kortere verlenging van vier maanden, met aanhouding van het overige deel, terwijl de pleegmoeder instemde met het verzoek tot verlenging. De begeleiders rapporteerden over de opvoedsituatie, loyaliteitsconflicten bij de minderjarige en de noodzaak van verdere begeleiding.
De kinderrechter oordeelde dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Er is vooruitgang bij de moeder, maar volledige thuisplaatsing is nog niet verantwoord vanwege loyaliteitsconflicten en verwarring bij de minderjarige. Het perspectiefonderzoek moet spoedig starten, en de rol van de pleegmoeder moet zorgvuldig worden vastgesteld.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot 1 maart 2026, met aanhouding van het overige verzoek. De gecertificeerde instelling dient twee weken voor de volgende zitting een schriftelijke update te verstrekken. De beschikking is direct uitvoerbaar en tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.