ECLI:NL:RBDHA:2025:20521

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
C/09/691017 / JE RK 25-1537
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen

Op 9 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er nog steeds sprake is van een ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen, die een belast verleden hebben en bij pleegouders verblijven. De kinderrechter heeft eerder beslissingen genomen die de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen verlengden, en heeft nu opnieuw geoordeeld dat deze maatregelen noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd tot 11 november 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 11 mei 2026. De kinderrechter heeft ook aangegeven dat er meer duidelijkheid moet komen over het perspectief van de kinderen en dat de gecertificeerde instelling een schriftelijke update moet verstrekken over de voortgang van het perspectiefonderzoek en het VUHP-traject. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/691017 / JE RK 25-1537
Datum uitspraak: 9 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S.O. Zengin uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
gezamenlijk wonend op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 september 2025;
  • het gewijzigde verzoekschrift van de gecertificeerde instelling van 9 september 2025;
  • de e-mailberichten van de moeder met bijlagen van 18 september 2025;
1.2.
Op 9 oktober 2025 is de zaak met gesloten deuren ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaak met zaaknummer
C/09/688262 / JE RK 25-1205. De beslissing in deze laatstgenoemde zaak is separaat op schrift gesteld. Op de zitting waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
- de pleegouders.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de pleegouders.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 november 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 11 november 2025 en een machtiging verleend [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 11 mei 2025 en het verzoek voor het overige aangehouden.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 mei 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 11 juni 2025 en het verzoek voor het overige aangehouden.
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juni 2025 de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 11 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een belast verleden, wat maakt dat er in hun opvoeding extra aandacht nodig is voor liefde, voorspelbaarheid, nabijheid, duidelijkheid, structuur en stabiliteit. De pleegouders kunnen hen dit bieden. De kinderen ontwikkelen zich positief bij de pleegouders en het is in hun belang dat ze hier kunnen blijven. De kinderrechter heeft zich in de beschikking van 5 juni 2025 niet aangesloten bij het door de gecertificeerde instelling genomen perspectiefbesluit. De kinderrechter heeft hierbij aangegeven dat de gecertificeerde instelling het perspectiefbesluit, waarin wordt geformuleerd dat een terugplaatsing bij de vader niet meer haalbaar is, niet voldoende heeft gemotiveerd. Het is van belang dat nog wordt onderzocht welke mogelijkheden de vader heeft om (een gedeelte van) de zorg voor de kinderen te dragen. In opdracht van de kinderrechter heeft de gecertificeerde instelling daarom in de afgelopen periode een perspectiefonderzoek en een Voorkomen Uithuisplaating-Traject (VUHP) aangevraagd bij Stichting Jeugdformaat. Stichting Jeugdformaat heeft echter aangegeven het perspectiefonderzoek niet te gaan starten. Ook heeft de jeugdbeschermer van de betrokken pleegzorginstantie gehoord dat VUHP naar alle waarschijnlijkheid ook niet opnieuw gestart zal worden, omdat de begeleiders van VUHP naar alle waarschijnlijkheid niet tot een andere conclusie zullen komen als voorheen. De gecertificeerde instelling heeft aan de betrokkenen van VUHP gevraagd dat zij, als zij de aanvraag van de gecertificeerde instelling officieel weigeren, wel een onderbouwing hiervoor geven. De maatregelen moeten verlengd worden zodat er nader onderzocht kan worden hoe het perspectief van de kinderen kan worden vastgesteld, en bij wie dit ligt. Hiernaast moet in de komende periode een omgangsregeling worden bepaald die voor rust en duidelijkheid bij de kinderen zal zorgen. Totdat er duidelijkheid is over een mogelijke plaatsing van de kinderen bij de vader, is het in hun belang dat zij nog bij de pleegouders kunnen blijven.

4.De standpunten

4.1.
De vader heeft ter zitting aangegeven achter de inzet van het VUHP traject te staan. Het ging een tijdje minder goed met de vader, maar de problematiek die ten grondslag lag hieraan heeft hij nu niet meer. De vader is bereid om mee te werken met eventueel noodzakelijke testen om te laten zien dat er geen sprake meer is van middelengebruik.
4.2.
Er is ter zitting namens de moeder naar voren gebracht dat zolang er geen gedegen perspectiefbesluit is genomen door de gecertificeerde instelling, het doel van de maatregelen nog steeds een thuisplaatsing dient te zijn. Er moet daarom in de komende periode voortvarend worden gehandeld in het onderzoeken van de mogelijkheden voor een (gedeeltelijke) plaatsing bij de vader, zeker nu zijn persoonlijke situatie erg positief is veranderd. De advocaat van de moeder verzoekt daarom om de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen slechts toe te wijzen voor de duur van zes maanden, met aanhouding van het overige deel van het verzoek, zodat er vinger aan de pols kan worden gehouden.
4.3.
De pleegouders hebben ter zitting aangegeven dat zij graag duidelijkheid en stabiliteit willen voor de kinderen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
Er is nog steeds sprake van een ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. De kinderen hebben een belast verleden, zijn in hun jonge levens vele malen overgeplaatst en het is nog altijd niet duidelijk waar zij zullen opgroeien. Het is positief om te horen dat het bij de pleegouders naar omstandigheden goed gaat met de kinderen. Desondanks is het zorgelijk dat de pleegouders aangeven dat de kinderen nog steeds zorgelijk gedrag vertonen. Ook blijkt uit de stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht dat er nog steeds sprake is van een ernstig loyaliteitsconflict bij de kinderen. Doordat er nog steeds sprake is van onrust bij de kinderen, mede omdat het nog niet is gelukt een passende omgangsregeling vast te leggen, is het ook nog niet gelukt om de voor hen noodzakelijke traumatherapie in te zetten. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat de kinderen gebaat zijn bij duidelijkheid, rust en stabiliteit. Het is daarom noodzakelijk dat zij duidelijkheid krijgen over hun perspectief. De kinderrechter heeft eerder geoordeeld dat de gecertificeerde instelling het eerdere perspectiefbesluit, gedateerd 17 februari 2025, onvoldoende heeft onderbouwd. De kinderrechter verwacht van de gecertificeerde instelling dat een verstrekkend besluit als een perspectiefbesluit goed wordt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat Stichting Jeugdformaat geen perspectiefonderzoek meer zal uitvoeren en dat het VUHP-traject naar alle waarschijnlijkheid ook niet opnieuw zal worden ingezet. De kinderrechter kan dit niet goed plaatsen, nu door de gecertificeerde instelling ook eerder is aangegeven dat de situatie van de vader is verbeterd. Het is in het belang van de kinderen dat de gecertificeerde instelling hier nadere toelichting over inwint. Wanneer Stichting Jeugdformaat aangeeft dat zij deze trajecten niet in zullen zitten, is het noodzakelijk dat zij motiveren waarom zij dit niet doen en wat hun zienswijze is met betrekking tot het perspectief van de kinderen. Het is verder noodzakelijk dat wanneer deze trajecten niet kunnen worden ingezet, de gecertificeerde instelling zich inzet om zo snel mogelijk op een andere wijze het perspectief van de kinderen te onderzoeken en de uitkomst van dit onderzoek te onderbouwen. Hierbij is van belang dat een eventueel nieuw te nemen perspectiefbesluit gedegen en uitgebreid wordt gemotiveerd op basis van actuele informatie.
5.3.
Gelet op hetgeen nog moet worden onderzocht en moet worden ingezet, is de ondertoezichtstelling steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.5.
De kinderrechter overweegt daartoe dat het de ouders op dit moment nog niet lukt om de zorg van voor de kinderen volledig op zich te nemen. Wel hebben zowel de vader als de moeder in de afgelopen periode positieve stappen gemaakt in hun eigen situatie en in hun omgang met de kinderen. Het is van belang dat er in de komende periode duidelijkheid komt over waar de kinderen opgroeien en wat nodig zou zijn om een eventuele (gedeeltelijke) thuisplaatsing bij de vader mogelijk te maken. Daarnaast is het ook noodzakelijk dat er een passende omgangsregeling wordt gevonden. De kinderrechter gunt het de ouders, pleegouders en de kinderen dat er een passende en bestendige verdeling van de opvoed- en zorgtaken komt die in het belang is van de kinderen en door alle betrokkenen wordt gesteund. Het is in het belang van de kinderen dat zij, in ieder geval tot er meer duidelijkheid is over hun perspectief, kunnen blijven bij de pleegouders en kunnen blijven profiteren van de rust en stabiliteit die zij hen bieden. De kinderrechter ziet daarom noodzaak om de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlengen. Wel onderschrijft de kinderrechter de namens de moeder naar voren gebrachte noodzaak om vinger aan de pols te houden en zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengen voor de duur van zes maanden, met aanhouding van het overige deel van het verzoek tot een nader te bepalen zitting. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling om uiterlijk
twee wekenvoor de volgende zitting een schriftelijke update te verstrekken over de stand van zaken met betrekking tot de inzet van VUHP en de resultaten hiervan, en over de stand van zaken van het perspectiefonderzoek.
5.6.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 11 november 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 11 mei 2026;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting van
mr. O.F. Bouwman, gelegen voor 11 mei 2026, tegen welke zitting de gecertificeerde instelling, de vader, de moeder en haard advocaat, en de pleegouders dienen te worden opgeroepen;
6.4.
verzoekt de gecertificeerde instelling om uiterlijk twee weken voor voornoemde zitting een schriftelijke update te overleggen zoals omschreven onder r.o. 5.5;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 4 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.