Betrokkene kreeg een verkeersboete van €119,- opgelegd voor feitcode R478 en stelde daartegen beroep in bij de officier van justitie. Deze verklaarde het beroep ongegrond of niet-ontvankelijk, waarna betrokkene in beroep ging bij de kantonrechter. De kern van het geschil betrof de berekening en toekenning van een dwangsom wegens overschrijding van de beslistermijn.
De kantonrechter overwoog dat de beslistermijn door een verdagingsbrief was verlengd tot 16 april 2024 en dat de officier van justitie op 14 mei 2024 op het administratief beroep had beslist. De discussie draaide om de datum van verzending versus ontvangst van die beslissing. Omdat niet kon worden vastgesteld dat de beslissing op 14 mei was verzonden en de gemachtigde de beslissing pas op 29 mei ontving, ging de kantonrechter uit van de ontvangstdatum.
Hieruit volgde dat de officier van justitie een dwangsom van €322,- (14 dagen x €23,-) verschuldigd was. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat geen sprake was van gelijkstelling in de zin van het relevante arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De kantonrechter verklaarde het beroep gegrond, legde de dwangsom op en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.