Op 9 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in een jeugdzorgzaak betreffende de omgangsregeling van twee minderjarigen, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De zaak betreft een verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling te vervallen en een omgangsregeling vast te stellen. De kinderrechter had eerder, op 11 september 2025, het verzoek aangehouden en de gecertificeerde instelling opgedragen om samen met alle belanghebbenden te onderzoeken welke regeling het meest passend zou zijn voor de kinderen. Tijdens de zitting op 9 oktober 2025 bleek dat er geen uitvoering was gegeven aan deze opdracht en dat er geen update was ontvangen van de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft de wensen van de belanghebbenden besproken, waaronder de moeder, de vader, de pleegouders en de gecertificeerde instelling. De moeder handhaafde haar verzoek voor een omgangsregeling waarbij de kinderen vaker en langer bij haar kunnen zijn. De vader steunde dit verzoek en wenste ook een regeling waarbij beide kinderen samen bij hem verblijven. De pleegouders gaven aan dat de huidige regeling voor veel onrust zorgt en pleitten voor een terugkeer naar een eerdere regeling. De gecertificeerde instelling stelde een nieuwe omgangsregeling voor, maar deze werd door de moeder en de vader als onvoldoende ervaren.
De kinderrechter concludeerde dat er geen overeenstemming was bereikt en dat alle betrokkenen openstonden voor overleg om tot een oplossing te komen. De behandeling van het verzoek werd aangehouden tot de zitting op 11 december 2025, waarbij de gecertificeerde instelling werd verzocht om een update te geven over de voortgang van het overleg. De beslissing werd openbaar uitgesproken door de kinderrechter en op schrift gesteld op 4 november 2025. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.