ECLI:NL:RBDHA:2025:20485
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening na vernietiging verblijfsweigering asiel
Verzoekers, allen van Azerbeidzjaanse nationaliteit, hadden asielverblijfsvergunningen aangevraagd die de minister op 2 augustus 2024 afwees als kennelijk ongegrond. Hiertegen stelden zij beroep in en verzochten tevens om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting verschenen verzoekers en hun gemachtigde zonder kennisgeving niet, terwijl de minister zich liet vertegenwoordigen.
De voorzieningenrechter behandelde de verzoeken om voorlopige voorziening samen met de bodemzaken. Op dezelfde dag vernietigde de rechtbank de bestreden besluiten, maar liet de rechtsgevolgen van die besluiten ongewijzigd. Hierdoor achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees de verzoeken af.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers, vastgesteld op €907,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter N.M. van Waterschoot en griffier mr. F. Aissa, en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €907,-.