ECLI:NL:RBDHA:2025:20474

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
NL25.51662
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

De minister heeft op 22 oktober 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiseres op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. Eiseres stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 31 oktober 2025 via telehoren.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel terecht is opgelegd op basis van zware gronden (3a, 3e, 3k) en lichte gronden (4b, 4c). Eiseres heeft zonder documenten Nederland binnengekomen, verstrekte onjuiste gegevens over identiteit en verleende geen medewerking aan de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat. Daarnaast heeft zij geen vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De minister heeft gemotiveerd waarom lichtere maatregelen onvoldoende zijn.

De rechtbank acht de uitleg van de minister over de elektronische ondertekening van de maatregel voldoende en ziet geen onrechtmatigheid. Eiseres is op leeftijd en heeft medische problemen, welke adequaat zijn betrokken bij de maatregel. De minister handelt voortvarend en er is zicht op overdracht, mede door een claimakkoord met Zweden en verlenging van de overdrachtstermijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51662

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

geboren op [geboortedatum]
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Inleiding

1. De minister heeft op 22 oktober 2025 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
1.1
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiseres is verschenen op het Justitieel Complex Zeist, bijgestaan door haar gemachtigde. Op de rechtbank in Groningen is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3e. in verband met haar aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over haar identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiseres de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Tijdstip elektronische ondertekening
6. Door de minister is op 29 oktober 2025 een brief aan het dossier gevoegd waarin wordt ingegaan op de (verifiëring van de) elektronische ondertekening van de maatregel. Wanneer een maatregel is ondertekend in de zomertijd en vervolgens in de wintertijd wordt geverifieerd, telt het programma waar de controle mee wordt gedaan automatisch een uur op bij het tijdstip waarop de maatregel is ondertekend. Eiseres voert aan dat de minister geen technisch deskundige is op dit gebied en dat deze uitleg niet volstaat. Deze uitleg zou bovendien betekenen dat de maatregel is uitgereikt voordat deze is ondertekend.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op de zitting uitgelegd dat de maatregel eerst elektronisch wordt ondertekend en vervolgens geprint en uitgereikt. Omdat er nog een aantal handelingen verricht moeten worden na het ondertekenen, zoals het uitprinten van de maatregel en teruglopen naar de vreemdeling, is het gelijktijdig ondertekenen en uitreiken van een maatregel niet mogelijk. [2] De medewerker vult voorafgaand aan het ondertekenen van de maatregel het tijdstip van uitreiken dus bij benadering in. Anders dan eiseres stelt, houdt deze werkwijze niet in dat een maatregel zonder handtekening wordt uitgereikt. De rechtbank vindt deze uitleg en de inhoud van de brief voldoende duidelijk en ziet geen gebrek in de ondertekening van de maatregel. [3]
Grondslag
7. De rechtbank is van oordeel dat eiseres valt onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Er is namelijk op 12 augustus 2024 een claimakkoord ontvangen van de Zweedse autoriteiten. De uiterste overdrachtstermijn is op 11 februari 2025 verlengd naar 18 maanden. Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn is op 19 maart 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht ongegrond verklaard. [4]
Gronden
8. De minister heeft op de zitting lichte grond 4a laten vallen.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a, 3e, 3k en lichte gronden 4b en 4c terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en vormen ook voldoende onderbouwing voor het standpunt van de minister dat er een significant risico op onderduiken bestaat en dat eiseres de voorbereiding van de Dublinoverdracht ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de zware grond 3b daarom onbesproken.
8.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [5] volgt dat voor de meeste zware gronden,
waaronder 3a, 3e en 3k, voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. [6] Eiseres heeft verklaard zonder documenten Nederland te zijn ingereisd en ook nooit over identificerende documenten te hebben beschikt (3a). De grond is daarmee feitelijk juist, dat dit volgens eiseres voor alle asielzoekers geldt doet daar niet aan af. Ook feitelijk juist is dat eiseres onder een andere naam en met een andere geboortedatum bekend staat in Zweden (3e). Dat de andere naam het gevolg is van een eretitel die zij van haar vader heeft gekregen en dat zij zich mogelijk in haar geboortedatum heeft vergist, doet aan de feitelijke juistheid niet af. Eiseres heeft daarnaast op 28 november 2024 een overdrachtsbesluit ontvangen waar zij geen gehoor aan heeft gegeven. Zij is niet komen opdagen voor een geplande vlucht op 14 januari 2025 en heeft tijdens het gehoor inbewaringstelling verklaard dit bewust te hebben gedaan omdat zij niet overgedragen wil worden (3k). Tot slot is feitelijk juist en voldoende gemotiveerd dat zij geen vaste woon- of verblijfplaats (4c) heeft en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt (4d). Daarbij heeft de minister het risico op onttrekking voor deze twee lichte gronden voldoende gemotiveerd. De enkele stelling van eiseres dat deze lichte gronden gelden voor alle asielzoekers, leidt niet tot een ander oordeel.
Lichter middel
9. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiseres, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiseres niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op haar rustende vertrekplicht. Daar komt bij dat een lichter middel eerder is geprobeerd, maar niet heeft geleid tot de overdracht van eiseres. Een lichter middel volstaat daarom niet om de overdracht van eiseres te verzekeren.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres op leeftijd is en verschillende medische problemen heeft, waar zij ook medicatie voor gebruikt. Zo heeft zij hepatitis C, een hoge bloeddruk, maag- en darmproblemen en is zij afhankelijk van een rollator. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden voldoende betrokken zijn bij het opleggen van de maatregel en dit in de maatregel voldoende is gemotiveerd. Daarbij is van belang dat er een medische dienst in het Justitieel Complex aanwezig is en eiseres is onderzocht door een verpleegkundige voorafgaand aan het opleggen van de maatregel. Ook zal een medische escort aanwezig zijn tijdens de overdracht en wordt voorafgaand beoordeeld of eiseres ‘fit to fly’ is. Door eiseres is niet aannemelijk gemaakt dat de geboden zorg in het Justitieel Complex onvoldoende is. De minister heeft opgemerkt dat, mocht blijken dat dit toch het geval is, de zorg voor eiseres zal worden uitgebreid.
Voortvarendheid
10. De minister werkt voldoende voortvarend aan de overdracht van eiseres door op 23 oktober 2025 een vertrekgesprek met haar te voeren en op 30 oktober 2025 een vlucht met vertrek op 6 november 2025 aan te kondigen. De minister heeft op de zitting toegelicht dat eerder een vlucht met vertrek op 3 november 2025 was gepland, maar deze vol bleek te zijn. De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat de vlucht eerder geboekt had moeten worden. Voorafgaand aan de vlucht dient beoordeeld te worden of eiseres ‘fit to fly’ is en moet er een medische escort worden geregeld. De minister moet hier enige tijd voor worden gegund.
Zicht op uitzetting
11. Omdat eiseres onder de Dublingrondslag valt, de minister voortvarend aan de overdracht werkt en de rechtbank anderzijds geen aanknopingspunten heeft dat gedurende de inbewaringstelling al duidelijk was dat overdracht uiteindelijk niet zou plaatsvinden, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat zicht op overdracht ontbreekt.

Conclusie en gevolgen

12. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [7]
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4499).
3.Zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2091).
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zie de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829).
7.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).