ECLI:NL:RBDHA:2025:20467

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
NL25.47988
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en asielmotieven

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, die op 23 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indiende. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 26 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond, onder verwijzing naar een voornemen van 27 augustus 2025. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 31 oktober 2025 de zaak behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van eiser als de gemachtigde van de minister aanwezig waren. Eiser heeft verklaard dat hij in Egypte problemen heeft met zijn oom en diens zoon, die hem onder andere hebben beschoten en valselijk beschuldigd van moord. De minister heeft de identiteit van eiser ongeloofwaardig geacht, omdat hij geen documenten heeft overgelegd en niet voldoet aan de voorwaarden van de Vreemdelingenwet. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de verklaringen van eiser onsamenhangend en tegenstrijdig zijn. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd om zijn asielmotieven te onderbouwen, en de rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst erop dat eiser geen recht heeft op vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47988

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers beroepsgronden niet slagen en dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 23 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 september 2025, onder verwijzing naar het voornemen van 27 augustus 2025 waartegen eiser geen zienswijze heeft ingediend, deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij datzelfde besluit heeft de minister ook geen verblijfsvergunning regulier en geen uitstel van vertrek wegens medische redenen verleend. Ook is aan eiser een onmiddellijke vertrekplicht naar Egypte en een inreisverbod van 2 jaar opgelegd.
2.1.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Deze staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.47989 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist. De beroepsgronden van eiser zijn alleen gericht tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is op het eind van de inhoudelijke behandeling ter zitting, alsnog verschenen. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat eiser niet alsnog gehoord hoefde te worden. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Egypte sinds meer dan tien jaren geleden problemen heeft met de oom van zijn moeder en diens zoon en de bende die hij aanstuurt heeft. Zij hebben eiser onder andere meerdere keren beschoten en hem valselijk beschuldigd van een moord die zij gepleegd hebben. Eiser vreest dat zij hem bij terugkeer naar Egypte zullen doden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met oom in Egypte.
4.1.
De minister heeft de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig en eisers identiteit ongeloofwaardig geacht. Hiertoe overweegt de minister dat eiser geen documenten heeft overgelegd en dat eiser voorts niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder a, b, d en e van de Vw.
4.2.
De problemen met de oom in Egypte zijn als geheel ongeloofwaardig geacht. Ook in dit verband heeft eiser geen objectieve documenten overgelegd en voldoet eiser niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c, d en e, van de Vw.
4.3.
In de geloofwaardig gevonden herkomst en Egyptische nationaliteit ziet de minister geen aanleiding om aan eiser een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef, onder a en b, of tweede lid van de Vw te verlenen. De minister wijst eisers aanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van 30b, eerste lid, onder e, van de Vw.
Heeft de minister de identiteit van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
5. Eiser betoogt dat zijn identiteit wel geloofwaardig moet worden geacht. Ten aanzien van het ontbreken van documenten stelt eiser dat hij geen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zijn paspoort is in Parijs gestolen en zijn andere documenten, zijn ID-kaart en een brief van de Franse autoriteiten, zijn in Rotterdam kwijtgeraakt. Eiser geeft daarbij aan dat hij niet goed is begrepen tijdens het gehoor. Eiser stelt voorts dat toen hij in Europa aankwam, hij naar Nederland wilde komen en niets wist van asielaanvragen. Pas in Nederland werd het voor hem duidelijk dat hij een asielaanvraag kon indienen. Dit heeft hij vervolgens zo spoedig mogelijk gedaan.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de identiteit van eiser niet ten onrechte niet geloofwaardig acht. Het is aan eiser om zijn identiteit aannemelijk te maken. In dat kader heeft de minister kunnen overwegen dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn identiteit te onderbouwen. Eiser heeft verklaard dat hij zou proberen om zijn ID-kaart vanuit Egypte naar Nederland te laten sturen, maar heeft dit nagelaten en geeft hiervoor geen verschoonbare reden. [2] De minister heeft eiser ook terecht tegengeworpen dat eisers stelling in beroep dat zijn ID-kaart is gestolen in Rotterdam, tegenstrijdig is aan zijn eerdere verklaringen dat zijn ID-kaart in Egypte is. Ook overweegt de minister terecht dat eiser zijn paspoort niet heeft overgelegd en hier geen bevredigende verklaring voor heeft. De stelling in beroep dat eisers paspoort is gestolen in Parijs staat haaks op hetgeen hij stelt in de correcties en aanvullingen, namelijk dat eisers paspoort zou zijn gestolen uit zijn tas in Rotterdam. Deze tegenstrijdigheden laten zich bovendien niet verklaren door verkeerd te zijn begrepen tijdens het gehoor, zoals eiser betoogt. De minister heeft gezien deze tegenstrijdigheden eiser niet hoeven volgen in eisers stellingen dat zijn paspoort en ID-kaart zijn gestolen. Eiser heeft derhalve geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven en heeft onvoldoende documenten gegeven zonder daarvoor een goede verklaring te hebben. Eiser voldoet daarmee niet aan voorwaarden a en b van artikel 31, zesde lid, van de Vw.
5.2.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister terecht concludeert dat eiser niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw voldoet nu hij reeds vele maanden in Europa verbleef voordat hij in Nederland asiel aanvraagt. De rechtbank volgt de minister in zijn overweging dat dit afbreuk doet aan de aannemelijkheid en noodzaak tot internationale bescherming. De stelling van eiser dat hij niet wist dat hij asiel kon aanvragen volgt de rechtbank niet; een dergelijke voorstelling van zaken blijkt niet uit de verklaringen van eiser. [3] Verder ziet de rechtbank in de beroepsgronden van eiser ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister voorwaarde e van artikel 31, zes lid, van de Vw niet aan eiser heeft mogen tegenwerpen.
5.3.
De minister heeft de identiteit van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
Heeft de minister de problemen van eiser met zijn oom niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
Onvoldoende documenten en daarvoor geen verklaring
6. Eiser stelt dat er voor de politie onvoldoende bewijs was om hem langer vast te houden maar dat ze (zowel de politie als de familie van het slachtoffer) eiser wel als schuldige zien. Eiser is hierdoor bevreesd voor bloedwraak.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser verklaard heeft dat zijn oom onterechte aangiftes heeft gedaan bij de politie en dat hij voor twee dagen is aangehouden. [4] Eiser heeft echter geen enkel document overgelegd die de aangiftes tegen hem onderbouwen, noch stukken die onderbouwen dat hij schuldig wordt bevonden aan de dood van zijn buurman. In dat licht bezien heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser geen documenten heeft overgelegd die onderbouwen dat hij gezocht wordt voor de moord op zijn buurman. Dat de oom aangifte heeft gedaan en dat de familie en politie eiser nog altijd als schuldige zien, rechtvaardigt de verwachting dat eiser dit kan onderbouwen. Eiser heeft bovendien geen verschoonbare reden gegeven voor het niet aanleveren van enig document. Eiser voldoet ook hierom niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b, Vw.
Oorzaak van de problemen
7. Eiser stelt te hebben verklaard dat er verschillende redenen zijn waarom hij problemen heeft met zijn oom en neef, waaronder de gang van zaken rondom de erfenis en het feit dat eiser is getrouwd met de vrouw die bestemd was voor zijn neef. Eiser stelt dat dit niet tegenstrijdig is. Eiser stelt daarbij wel dat de hoofdoorzaak van de problemen de erfenis is. Eiser geeft hierbij aan dat zijn moeder in eerste instantie niets van de erfenis wilde hebben, maar van gedachten veranderde.
7.1.
De minister heeft kunnen overwegen dat eiser tegenstrijdig en onsamenhangend over de aanleiding van de problemen met zijn oom verklaart. In zoverre eiser stelt dat er meerdere, niet tegenstrijdige, oorzaken zijn, overweegt de rechtbank dat het dan nog steeds op de weg van eiser ligt om hier eenduidig over te verklaren, hetgeen hij niet heeft gedaan. Eiser heeft drie redenen voor het ontstaan van de problemen gegeven en komt pas in beroep met de stelling dat deze samenhangend zijn. Daar komt bij dat eiser ook over de losse oorzaken, met name over de erfenis, tegenstrijdig verklaart. De stelling in beroep dat zijn moeder van gedachten is veranderd neemt deze tegenstrijdigheden niet weg. De minister heeft daarom kunnen concluderen dat eiser tegenstrijdig en onsamenhangend heeft verklaard over de aanleiding van de problemen met zijn oom.
Verblijfsplaats
8. Eiser heeft aangegeven dat hij moest vluchten voor zijn oom; hij heeft op verschillende plaatsen verbleven vanwege zijn veiligheid.
8.1.
De rechtbank stelt net als de minister vast dat eiser in dit verband meerdere tegenstrijdige verklaringen heeft gegeven: eiser heeft verklaard dat hij sinds zijn geboorte tot zijn vertrek uit Egypte op hetzelfde adres heeft gewoond, [5] terwijl hij vervolgens in de correcties en aanvullingen stelt dat hij naar verschillende plekken is gegaan om werk te zoeken maar dat dit vanwege de problemen met zijn oom niet lukte, dat hij telkens van de ene naar de andere provincie verhuisde om aan de problemen met zijn oom te ontsnappen voor de veiligheid van zijn vrouw en kinderen [6] en dat hij begin 2015 voor het eerst – toen zijn kinderen nog niet geboren waren – verhuisde om te ontsnappen aan de problemen met de oom. [7] Dit is tegenstrijdig met elkaar en de minister heeft dit dan ook aan eiser terecht tegengeworpen.
Beschietingen op het huis
9. Ten aanzien van de beschietingen op het huis van eiser stelt eiser dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard en dat zijn broer en hij in hetzelfde huis zijn beschoten. Eiser stelt dat hij bang was omdat er meerdere keren op hem is geschoten.
9.1.
Dit betoog van eiser faalt. De rechtbank overweegt dat de tegenwerping van de minister niet ziet op een onduidelijkheid in de verklaring over welk huis is beschoten, maar over de door eiser gestelde redenen voor het beschieten van dat huis. Eerst zegt eiser dat zijn oom naar het huis van eisers broer is gegaan en dit beschoten heeft omdat eisers broer een dag eerder de benen van zijn neef had gebroken. [8] Hier voegt eiser later aan toe dat zijn oom ook op het huis schoot omdat hij dacht dat eiser binnen was. [9] De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser reeds hierom heeft kunnen tegenwerpen dat eiser onduidelijk en tegenstrijdig verklaart over de beschietingen. Daar komt bij dat het eiser niet lukt om uit te leggen hoe zijn oom kon weten dat hij in het huis van zijn broer was en de minister ook terecht overweegt dat eiser op een later moment wisselend verklaart over de beschietingen na de tweede confrontatie met zijn oom, waarbij hij het wapen uit de handen van zijn oom pakte. [10]
Framing
10. Eiser stelt dat hij door zijn oom moet opdraaien voor de moord op zijn buurman. De oom van eiser heeft een vuurwapen laten stelen uit het huis van eiser en hiermee is de buurman doodgeschoten. De verdenkingen vielen daardoor op eiser. Eiser stelt dat hij er door zijn oom is ingeluisd.
10.1.
Ook dit betoog faalt. De rechtbank stelt vast dat eiser eerst verklaart dat iemand zijn wapen uit huis had gestolen en dat vervolgens eisers buurman is vermoord, waarvan eiser de schuld kreeg omdat het met zijn wapen gebeurd was. [11] Eiser zegt vervolgens enerzijds dat zijn oom bij hem thuis is geweest en dat wapen had gestolen en anderzijds dat een bendelid van zijn oom dit had gedaan in opdracht van zijn oom. [12] Vervolgens verklaart eiser dat het stelen van zijn wapen gepland was, zodat als er iemand mee vermoord werd, eiser beschuldigd (en dus geframed) kon worden. [13] Dit staat echter haaks op eisers verklaring dat de buurman per ongeluk is vermoord, omdat ze eigenlijk eiser wilden vermoorden. [14] De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister terecht concludeert dat eisers verklaringen over hoe hij beschuldigd werd tegenstrijdig zijn. Daarbij is de rechtbank met de minister van oordeel dat bovendien niet valt in te zien waarom (iemand in opdracht van) eisers oom eisers eigen wapen zou stelen uit zijn eigen huis, om hem vervolgens daarmee te vermoorden. De minister heeft dan ook kunnen overwegen dat de verklaringen van eiser onlogisch zijn.
Verzoening met oom
11. Eiser heeft aangegeven dat hij meerdere keren heeft geprobeerd om zich met zijn oom te verzoenen, maar dat dit is niet gelukt. Eiser stelt dat hij gevaar loopt om vermoord te worden.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser eerst heeft verklaard dat hij vier keer heeft geprobeerd om de problemen met zijn oom op te lossen. [15] Later verklaart eiser dat hij maar twee keer bij zijn oom is langsgegaan om de problemen op te lossen. [16] Weer later zegt eiser dat hij naast deze twee keer niets meer heeft gedaan om de problemen op te lossen. [17] De minister heeft eiser dan ook terecht tegengeworpen dat eiser op dit punt onsamenhangend en tegenstrijdig heeft verklaard. Daar komt bij dat eiser niet inzichtelijk kan maken waarom er zeven jaar tussen de eerste en de tweede verzoeningspoging zat en dat hij niet eenduidig kan verklaren over de verzoeningspoging waarbij eiser het wapen van zijn oom pakte. De minister heeft ook dit aan eiser mogen tegenwerpen.
Conclusie
12. De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat de minister zich op het standpunt kan stellen dat de verklaringen van eiser over asielmotief 2 geen samenhangend en aannemelijk geheel in de zin van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw vormen. Eiser verklaart op alle hierboven genoemde punten onsamenhangend en/of tegenstrijdig en heeft een en ander ook in beroep niet verduidelijkt. Voorts heeft eiser punten 2.2.6. t/m 2.2.8. uit het voornemen niet bestreden en heeft de minister ook op grond van deze tegenwerping kunnen concluderen dat de verklaringen van eiser geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen. Nu eiser niet voldoet aan voorwaarden b, c, d en e van artikel 31, zesde lid, Vw heeft de minister niet ten onrechte geconcludeerd dat asielmotief 2, zijnde de problemen van eiser met zijn oom, niet geloofwaardig is.
13. Tot slot overweegt de rechtbank dat de minister in de geloofwaardig gevonden herkomst en Egyptische nationaliteit terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef, onder a en b, of tweede lid van de Vw te verlenen. Verder heeft de minister eisers aanvraag kunne afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van 30b, eerste lid, onder e, van de Vw.

Conclusie en gevolgen

14. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Aanmeldgehoor, p.7.
3.Aanmeldgehoor, p. 12 en p. 13.
4.Correcties en aanvullingen aanmeldgehoor.
5.Aanmeldgehoor, p.4-5.
6.Nader gehoor, p.4-5, 19-20.
7.Nader gehoor, p.19-20.
8.Nader gehoor, p.11.
9.Nader gehoor, p.12
10.Nader gehoor, p. 14-15 en p. 22.
11.Nader gehoor, p.4.
12.Nader gehoor, p.14, 24.
13.Nader gehoor, p.24
14.Nader gehoor, p.24-25.
15.Nader gehoor, p.5.
16.Nader gehoor, p.5, p.13.
17.Nader gehoor, p.18.