ECLI:NL:RBDHA:2025:20372
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser, een Nigeriaanse man, tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag afgewezen met het argument dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, zoals bepaald in de Dublinverordening. Eiser heeft op 7 oktober 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening, die op 13 oktober 2025 werd toegewezen, waardoor de overdracht aan Duitsland werd geschorst.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een tolk. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat de overdracht aan Duitsland onevenredig hard zou zijn. Eiser heeft geen overtuigende argumenten of bewijsstukken overgelegd die zijn medische klachten onderbouwen of die aantonen dat de Duitse autoriteiten hem niet adequaat zouden kunnen helpen.
De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg en is openbaar gemaakt op 30 oktober 2025.