ECLI:NL:RBDHA:2025:20372

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
NL25.48831
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser, een Nigeriaanse man, tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag afgewezen met het argument dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, zoals bepaald in de Dublinverordening. Eiser heeft op 7 oktober 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening, die op 13 oktober 2025 werd toegewezen, waardoor de overdracht aan Duitsland werd geschorst.

De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een tolk. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat de overdracht aan Duitsland onevenredig hard zou zijn. Eiser heeft geen overtuigende argumenten of bewijsstukken overgelegd die zijn medische klachten onderbouwen of die aantonen dat de Duitse autoriteiten hem niet adequaat zouden kunnen helpen.

De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg en is openbaar gemaakt op 30 oktober 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48831
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1981. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 7 oktober 2025 beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Hij heeft daarbij ook verzocht om een voorlopige voorziening (zaaknummer NL25.48832). De voorzieningenrechter heeft op 13 oktober 2025 de voorlopige voorziening toegewezen dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat eiser niet mag worden overgedragen aan Duitsland totdat is beslist op het beroep.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. D. van Elp als waarnemer van de gemachtigde van eiser, B.A. Hitchcock als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening (Dvo) neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
6. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat de besluitvorming van de minister onzorgvuldig is. Eiser heeft ten opzichte van zijn vorige Dublinprocedure nieuwe informatie overgelegd over zijn problemen met een Nigeriaanse cult. De minister kan dan niet volstaan met een verwijzing naar het besluit uit de vorige procedure. Ook heeft de minister de overgelegde medische informatie van eiser niet goed beoordeeld. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 juli 20252.
7. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bevat het beleid van de minister dat deze terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken. Er zijn geen bijzondere, individuele omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de overdracht aan Duitsland op voorhand onevenredig hard is. Over eisers gestelde problemen met de Nigeriaanse cult heeft de minister in het bestreden besluit terecht geoordeeld dat van eiser mag worden verwacht dat hij hierover klaagt bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Duitsland eiser daarmee niet kunnen of willen helpen. Eiser heeft zijn medische klachten niet onderbouwd met (medische) documenten. Daarbij heeft eiser ook niet aannemelijk kunnen maken dat zijn medische klachten een gevolg zijn van de behandeling in Duitsland. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden de medische voorzieningen in Duitsland daarnaast geacht van vergelijkbare kwaliteit te zijn en ook ter beschikking te staan van Dublinclaimanten. Het is aan eiser om aan te tonen dat dit niet het geval is. Hierin is eiser niet geslaagd. Mocht eiser toch medische zorg nodig hebben, zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen. Het is niet gebleken dat de medische voorzieningen in Duitsland dermate structurele en ernstige problemen bevatten, dat bij overdracht aan Duitsland op voorhand sprake is van onevenredige hardheid. Verder volgen, gelet op het arrest C.K., uit het dossier geen aanwijzingen dat de overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor eisers gezondheidstoestand zou hebben. Indien eiser in Duitsland wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Duitse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Duitse autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De minister heeft de persoonlijke ervaringen van eiser voldoende meegewogen en voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding zag om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo. Daarmee slaagt eisers beroep op de uitspraak van 24 juli 2025 niet. De beroepsgrond slaagt niet.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.