ECLI:NL:RBDHA:2025:20340

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
SGR 23/8407
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning voor dakopbouw wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding

Op 6 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen eisers en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, betreffende een omgevingsvergunning voor de bouw van een dakopbouw en terras op de woning van vergunninghouders. Eisers, buren van de vergunninghouders, vreesden dat de dakopbouw zou leiden tot problemen met hun fundering, aangezien deze gedeeltelijk rust op de fundering van de vergunninghouders. De rechtbank oordeelde dat het college bij de verlening van de omgevingsvergunning uitging van onjuiste aannames over de fundering, waardoor het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand, omdat de deskundigenberichten van partijen aantoonden dat de dakopbouw aan het Bouwbesluit 2012 voldeed. De rechtbank oordeelde dat de vergunninghouders het bouwplan mochten uitvoeren, maar dat het college de kosten van de door eisers ingeschakelde deskundige moest vergoeden. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid bij de voorbereiding van besluiten in het bestuursrecht.

Uitspraak

FRECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8407

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] en [eiser] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. A. Bakker).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[vergunninghouder 1]en
[vergunninghouder 2], uit [woonplaats] (vergunninghouders)
(gemachtigde: mr. N.M. Buddingh-Ubink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsververgunning voor de bouw van een dakopbouw en een terras op de woning aan de [adres 1] in Den Haag die het college aan vergunninghouders heeft verleend. Eisers wonen naast vergunninghouders en zijn tegen de bouw van de dakopbouw. De fundering van de woning van vergunninghouders rust op de fundering van de woning van eisers. Eiser vrezen dat de dakopbouw zal zorgen voor teveel belasting op hun fundering waardoor verzakkingen en scheuren kunnen ontstaan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het college bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning er nog vanuit ging dat bij de woning van vergunninghouders sprake was van eigen fundering. Dit is onjuist omdat uit de verschillende bouwtekeningen volgt dat de fundering van de woning van vergunninghouders gedeeltelijk rust op de fundering van de woning van eisers. Het college heeft het bestreden besluit daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en dit besluit wordt daarom vernietigd. In beroep bij de rechtbank zijn door partijen verschillende deskundigenberichten overgelegd waarin wel is uitgegaan van de juiste situatie. De rechtbank komt op basis van deze deskundigenberichten tot het oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de dakopbouw op de woning van vergunninghouders niet zal leiden tot problemen vanwege de fundering en dat het aannemelijk is dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit). Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven en dat vergunninghouders het bouwplan mogen uitvoeren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft in eerste instantie met het besluit van 7 oktober 2022 geweigerd om aan vergunninghouders een omgevingsvergunning te verlenen voor het in- en uitwendig veranderen en vergroten van hun woning aan de [adres 1] in Den Haag door het maken van een extra bouwlaag en een terras ten behoeve van een zelfstandige woning. Met het bestreden besluit op bezwaar van 1 november 2023 heeft het college het primaire besluit herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog verleend.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eisers, het college en vergunninghouders hebben nadere stukken overgelegd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, samen met ing. [naam 1] van [adviesbureau 1] ( [adviesbureau 1] ). Namens het college zijn verschenen de gemachtigde van het college, ing. [naam 2] en [naam 3] . Vergunninghouders zijn verschenen, samen met ir. [naam 4] van [adviesbureau 2] ( [adviesbureau 2] ).

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag is ingediend op 1 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Te laat ingediend stuk
4. Van eisers is op de dag voor de zitting een schriftelijk stuk ingekomen. Dat is korter dan tien dagen voor de zitting en dus te laat. [1] De rechtbank overweegt dat de goede procesorde zich niet tegen toelating daarvan verzet. Het schriftelijk stuk is beperkt van omvang en ter zitting hebben partijen op de inhoud van het stuk gereageerd. Het schriftelijk stuk betreft bovendien een reactie op een schriftelijk stuk van vergunninghouders dat ook kort voor de zitting is ingediend.
De fundering
het bestreden besluit
5. Eisers betogen dat het college ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend. Eisers voeren aan dat de woning van vergunninghouders oorspronkelijk is gebouwd als garage in de achtertuin van de woning aan de [adres 2] . Deze garage ligt naast de woning van eisers en de fundering van deze garage is destijds gedeeltelijk geplaatst op de fundering van de woning van eisers. In 1949 is op de garage een verdieping gebouwd en is de garage veranderd in een woning van twee verdiepingen. Volgens eisers heeft het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning niet onderkend dat de fundering van de woning van vergunninghouders rust op de fundering van hun woning. De constructieberekeningen die zijn gemaakt zijn daarom volgens eisers onjuist en het college heeft zich op basis van die berekeningen niet op het standpunt kunnen stellen dat aannemelijk is dat aan het bouwbesluit wordt voldaan. Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunt bouwtekeningen uit 1930 overgelegd. Hierop is te zien dat de funderingsstrook van de woning van vergunninghouders gedeeltelijk rust op de afzonderlijke funderingsstrook van de woning van eisers.
Figuur 1. De funderingsstrook ( 9 en 11) is links onderinafgebeeld; die van nr. 7 bevindt zich rechts daarboven.
5.1.
Het college heeft in de reactie van 6 december 2024 erkend dat de goedkeuring van het bouwplan is gebaseerd op de onjuiste aanname dat de fundering één aaneengesloten funderingsstrook van 1100 mm is. Bij nader inzien hebben de woningen van eisers en vergunninghouders elk een eigen funderingsstrook met een breedte van circa 500 mm die mogelijk niet doorgaand aan elkaar zijn verbonden. Op basis hiervan kan worden getwijfeld aan de door de constructeur aangenomen samenwerking tussen de fundering van de woning van vergunninghouders en de fundering van de woning van eisers. Het draagvermogen van de fundering van de woning van vergunninghouder is te hoog ingeschat. Ter plaatse van de woning van vergunninghouders werkt de belasting excentrisch op de fundering van de woning van eisers. Ook is de sondering op te grote afstand van de woning gemaakt, aldus het college in zijn brief van 6 december 2024.
5.2.
De rechtbank overweegt dat dit betekent dat het bestreden besluit berust op een onjuiste aanname en een sonderingsonderzoek dat te ver van de woning is verricht. Het bestreden besluit is daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. [2] Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd.
Kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven?
6. De rechtbank overweegt dat in de beroepsfase door de verschillende partijen nieuwe berekeningen en deskundigenberichten zijn ingebracht. Hierna zal de rechtbank beoordelen of gelet op deze nieuwe informatie de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven. [3] De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Rapport van [adviesbureau 3]
7. Op 9 maart 2025 heeft [adviesbureau 3] ( [adviesbureau 3] ) een nieuw funderingsrapport uitgebracht. Voor dit rapport is een nieuwe sondering gedaan aan de voorkant van de woning van vergunninghouders. In dit rapport is bij het controleren van de nieuwe totale belasting van de bestaande fundering op staal rekening gehouden met excentrische belastingen op de funderingsstrook. Over de samenwerking tussen de twee funderingen merkt het rapport op dat de gezamenlijke funderingsconstructie een maximaal inwendig buigend moment van ca. 5 kNm heeft, wat volgt uit de bovenbelastingen en de gronddruk. Aan de bovenzijde van de momentarm wordt de drukkracht geleverd door contact tussen de muren van de twee aparte funderingen. Aan de onderzijde moet het uit elkaar gaan van de twee funderingen worden verhinderd. Bij afwezigheid van wapening moet de tegenkracht worden geleverd door contactwrijving tussen de betonplaten, door wrijving tussen de betonplaten en de grond, en passieve gronddruk tegen de betonplaten. Bij de optredende gronddruk en contactdruk is een wrijvingskracht van ca. 20 kN (karakteristiek) mogelijk. Voor het buigend moment van 5 kNm is bij een kracht van 20 kN een arm van 0,25 m nodig. Dit is geen probleem.
7.1.
In zijn brief van 28 mei 2025 heeft het college opgemerkt dat het bouwplan zoals ingediend en aangevuld met het rapport van [adviesbureau 3] voldoet aan gebruikelijke constructieve principes en verantwoord kan worden uitgevoerd. Naar het oordeel van het college is sprake van voldoende samenwerking tussen de beide funderingen. Er is niet gebleken van scheefstand van belang. De uitkomst van de nieuw verrichte bodemsondering nabij het pand is de aanwezigheid van een zandlaag in de bodem, voldoende draagkrachtig om een drielaags bouwwerk te dragen, zoals ook elders in de nabije omgeving. Het college acht de berekeningen en de gegevens van [adviesbureau 3] volledig en juist. Als extra zekerheid zal een nulmeting worden uitgevoerd en wordt de bouw gemonitord. Indien er onverhoopt toch problemen optreden, kan de bouw zo nodig snel worden stilgelegd en kunnen passende maatregelen worden genomen.
Reacties en Controleberekening van [adviesbureau 1]
8. [adviesbureau 1] (de deskundige van eisers) heeft op 2 april 2025 een reactie gegeven op het rapport van [adviesbureau 3] . Daarin staat dat uit de gemaakte sondering blijkt dat het aanleg niveau van de fundering van de woningen van eisers en vergunninghouder op een geringe draagkrachtige laag is gefundeerd. In de berekening van [adviesbureau 3] worden de beide funderingsstroken als één strook beschouwd, omdat het optredend moment kan worden opgenomen door de zijwaartse grondbelasting en de wrijving tussen de twee aparte funderingsstroken. Aan de zijde van de woning van eisers is er echter geen grond in de kruipruimte aanwezig, waardoor tegendruk aan die zijde niet kan ontstaan. Verder is het uiterst dubieus dat door wrijving tussen de twee aparte funderingsstroken een kracht overgebracht kan worden.
8.1.
[adviesbureau 1] heeft op 10 juni 2025 een reactie gegeven op de brief van het college van 28 mei 2025. In die reactie staat dat de inspectie van de fundering heeft plaatsgevonden aan de voorkant van het pand en niet aan de langszijde. Verder bestaat de controle uit wat vage foto’s en geen goede metingen van de aanlegdiepte van de fundering. De sondering die is uitgevoerd geeft een beeld dat niet relevant is voor de rest van de wijk. De kruipruimte bij de woning van eisers is niet opgevuld met zand zodat de tegendruk hier niet kan ontstaan.
8.2.
[adviesbureau 1] heeft in opdracht van eisers op 3 juli 2025 een controleberekening uitgevoerd. Daarin is over de belasting van de woning van vergunninghouders geconcludeerd dat in de bestaande situatie de toelaatbare grondspanning al ruim wordt overschreden (240 kN/m1 > 148 kN/m1) en dat plaatsing van de dakopbouw daarom constructief onverantwoord is.
Rapport van [adviesbureau 2]
9. In opdracht van vergunninghouders heeft ir. [naam 4] van [adviesbureau 2] (de deskundige van vergunninghouders) de berekeningen van [adviesbureau 3] en Mijn Constructieberekening beoordeeld, evenals de controleberekening van [adviesbureau 1] van 3 juli 2025. De conclusies hiervan zijn vastgelegd in het rapport van 12 september 2025.
Figuur 2: Rapport van [adviesbureau 2] , p. 3.
9.1.
In het rapport van [adviesbureau 2] staat dat [adviesbureau 3] er in de berekening van uitgaat dat het linker deel en het rechter deel van de fundering niet ten opzichte van elkaar kunnen verdraaien, maar samenwerken. Dit omdat beide delen aan de bovenzijde tegen elkaar aanliggen en aan de onderzijde door onderlinge wrijving en door gronddruk niet uit elkaar kunnen gaan. [adviesbureau 2] kan zich vinden in het principe van de berekening, maar heeft een aantal opmerkingen bij de berekening:
  • Er is aan beide zijden gerekend met een grondaanvulling. Dit is niet juist omdat in de woning van eisers een kruipruimte aanwezig is,
  • Er is een totale strookbreedte van 900 mm voor beide betonstroken tezamen aangehouden. Dit dient 1100 mm te zijn.
  • De achtergronden van de belastingen zijn niet duidelijk.
9.1.1.
[adviesbureau 2] heeft [adviesbureau 3] daarom verzocht om een aanvullende berekening te maken. De toelaatbare lijnlast op de fundering bedraagt 104 kN/m1 en deze normwaarde wordt met het totaal van 97 kN/m1, waarbij de excentriciteit van de belasting beperkt is, niet overschreden. De belastingstoename op de funderingsstrook bedraagt door de nieuwe opbouw circa 8% van de huidige bouwmassa, wat beperkt is.
9.2.
Over de controleberekening van [adviesbureau 1] vermeldt het rapport van [adviesbureau 2] dat de belastingen op de fundering herleidbaar zijn en de karakteristieke waarden correct, maar dat van lagere belastingsfactoren op basis van NEN 8700 kan worden uitgegaan omdat het een al bestaande constructie betreft. [adviesbureau 1] laat zowel de belasting uit de woning van eisers (F1) als de belasting uit de woning van vergunninghouders (F2) op de oorspronkelijke 770 mm brede betonnen strook onder de woning van eisers afdragen, maar heeft de funderingsstrook van 550 mm onder de woning van vergunninghouders buiten beschouwing gelaten. Die berekeningswijze acht [adviesbureau 2] daarom te conservatief.
De door de rechtbank te verrichten toetsing
10. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [4] is de toets aan het Bouwbesluit die het college moet uitvoeren, een aannemelijkheidstoets. Het college komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit. De toetsing die de rechtbank moet verrichten, is daarom terughoudend. De rechtbank moet daarom in dit geval beoordelen of het college in redelijkheid aannemelijk heeft kunnen achten dat wordt voldaan aan de eisen die in het Bouwbesluit zijn gesteld in die zin, dat de fundering voldoende dragend is om de dakopbouw te kunnen dragen.
10.1.
De rechtbank overweegt dat door eisers niet is betwist dat het gewicht van de vergunde dakopbouw 8% van het hoofgebouw bedraagt, hetgeen beperkt is. Tussen partijen is wel in geschil of de funderingslagen samenwerken door (a) contactwrijving tussen de betonplaten, (b) wrijving tussen de betonplaten en de grond en (c) passieve gronddruk tegen de betonplaten. Volgens [adviesbureau 1] is niet aangetoond dat de betonplaten met elkaar samenwerken, is de grond niet voldoende draagkrachtig en is in het rapport van [adviesbureau 3] ten onrechte geen rekening is gehouden met de aanwezigheid van een kruipruimte in de woning van eisers.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college in de kritiek van [adviesbureau 1] geen aanleiding heeft hoeven zien voor twijfel aan de juistheid en de volledigheid van het rapport van [adviesbureau 3] , aangevuld met het rapport van [adviesbureau 2] . Zij overweegt daartoe het volgende.
10.2.1.
In reactie op de stelling van [adviesbureau 1] dat niet is aangetoond dat sprake is van wrijving tussen de funderingslagen, heeft het college ter zitting toegelicht dat het in gevallen als deze altijd al gebruikelijk was dat de betonplaten werden opgeruwd. Dit is niet betwist. Het college heeft daarom aannemelijk mogen achten dat sprake kan zijn van contactwrijving tussen de betonplaten.
10.2.2.
Over de wrijving van de betonplaten met de grond overweegt de rechtbank dat hiervoor een nieuw sonderingsonderzoek is verricht, ditmaal vlakbij de voorgevel van de woning van vergunninghouders. De uitkomsten daarvan zijn meegenomen in het rekenmodel. De grond heeft volgens het rekenmodel voldoende draagvermogen door de aanwezigheid van een zandlaag in de bodem. [adviesbureau 1] stelt dat de grond onvoldoende draagkrachtig is, maar heeft die stelling niet nader onderbouwd. Dat de grondlagen onder de woning afwijkend zijn van wat het sonderingsonderzoek voor de woning heeft laten zien, is door [adviesbureau 1] gesteld, maar evenmin onderbouwd. Het college heeft dan ook aannemelijk kunnen achten dat de grondlagen voor de woning niet wezenlijk anders zijn dan onder de woning.
10.2.3.
In reactie op de stelling van [adviesbureau 1] dat het rapport van [adviesbureau 3] geen rekening houdt met de aanwezigheid van een kruipruimte in de woning van eisers, heeft [adviesbureau 3] in opdracht van [adviesbureau 2] een nieuwe berekening uitgevoerd. Volgens het rapport van [adviesbureau 2] is de draagkracht van de fundering nog steeds voldoende als met de kruipruimte rekening wordt gehouden. Ter zitting is hierbij toegelicht dat de passieve gronddruk tegen de zijkanten van de funderingsstroken slechts in beperkte mate bijdraagt aan het samenwerken en de draagkracht van de fundering.
10.2.4.
Dit betekent dat het college het aannemelijk heeft kunnen achten dat de beide funderingsstroken met elkaar samenwerken. In dit geval zijn er twee deskundigen ( [adviesbureau 3] en [adviesbureau 2] ) die beide aangeven dat dit het geval is, terwijl er één deskundige ( [adviesbureau 1] ) is die aangeeft dat er geen sprake is van samenwerking. Zoals volgt uit de voorgaande overwegingen geven de argumenten die [adviesbureau 1] daarvoor geeft, onvoldoende reden om te twijfelen aan het samenwerken van de twee funderingsstroken. De controleberekening van [adviesbureau 1] geeft ook onvoldoende reden voor twijfel. [adviesbureau 1] heeft namelijk de funderingsstrook van de woning van vergunninghouders buiten beschouwing gelaten. Er bestaat daarom geen aanleiding om aan de controleberekening van [adviesbureau 1] meer gewicht toe te kennen dan aan de aangepaste berekening van [adviesbureau 3] , zoals in opdracht van [adviesbureau 2] is uitgevoerd. Uit het rapport van [adviesbureau 2] blijkt dat de toelaatbare lijnlast [5] op de fundering 104 kN/m1 bedraagt en dat deze norm met het totaal van 97 kN/m1, niet overschreden.
10.3.
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft het college in redelijkheid aannemelijk kunnen achten dat aan de vereisten van het Bouwbesluit wordt voldaan. Anders dan eisers betogen, is de toets aan het Bouwbesluit niet dat buiten elke twijfel vast staat dat geen schade ontstaat. Zoals volgt uit overweging 10 gaat het om een aannemelijkheidstoets. In dit geval heeft het college bovendien als extra voorwaarden gesteld dat een nulmeting wordt verricht en dat de bouw wordt gemonitord. Het college heeft daarbij toegelicht dat de bouw zo nodig snel kan worden stilgelegd en passende maatregelen kunnen worden genomen, mochten er onverhoopt toch problemen optreden.
10.4.
De rechtbank ziet gelet op de in beroep ingebrachte rapporten aanleiding voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Schaduwhinder en privacy
11. Eisers betogen verder dat het bouwplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Zij voeren aan dat de dakkapel zal leiden tot onaanvaardbare schaduwhinder, omdat het dak van hun woning grotendeels in de schaduw zal komen te liggen wanneer de vergunde dakopbouw eenmaal zal zijn gerealiseerd. Eiser vrezen bovendien dat het gebruik van de dakopbouw zal leiden tot aantasting van hun privacy.
11.1.
Het stelsel voor de beoordeling van de aanvraag is limitatief-imperatief. Dat houdt in dat als zich één of meer van de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen, de omgevingsvergunning moet worden geweigerd. Als dat niet zo is, moet de omgevingsvergunning worden verleend. Voor het maken van een belangenafweging heeft het college in dit stelsel geen ruimte. [6]
11.2.
De rechtbank stelt vast dat op grond van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” een maximale bouwhoogte van 11 m geldt. De rechtbank overweegt dat de dakopbouw volgens de bouwtekeningen zorgt voor een bouwhoogte van de woning van vergunninghouders van 9,8 m. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dakopbouw in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Het college heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat de door eisers genoemde ruimtelijke effecten van de dakopbouw in dat geval niet tot weigering van de omgevingsvergunning kunnen leiden. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is immers al beoordeeld dat de ruimtelijke effecten, zoals schaduwhinder en verminderde privacy, van een bouwwerk van 11 m hoog niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
11.3.
Hetgeen eisers ter zitting hebben aangevoerd over de gestelde onmogelijkheid om in de toekomst zelf een dakopbouw op hun woning te realiseren wanneer de vergunde dakopbouw bij vergunninghouders eenmaal zal zijn gerealiseerd, betekent ten slotte evenmin dat het college de omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen. Dit is immers geen weigeringsgrond uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. Gelet op wat hiervoor is overwogen zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand laten. Dit betekent dat vergunninghouders de dakopbouw mogen bouwen.
12.1.
De rechtbank bepaalt dat het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt en veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten.
12.2.
Eisers hebben verzocht om vergoeding van de kosten voor het inschakelen van ing. [naam 1] , constructeur, van [adviesbureau 1] als deskundige. De rechtbank overweegt dat de kosten voor het inschakelen van een deskundige op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen voor zover het inroepen van een deskundige redelijk is en de gemaakte kosten redelijk zijn. [7]
12.3.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers in redelijkheid een deskundige ingeschakeld. Het college heeft immers naar aanleiding van de door eisers in beroep aangevoerde gegevens geconstateerd dat de oorspronkelijke goedkeuring van het bouwplan op een onjuiste aanname was gebaseerd. Eisers hebben zeven facturen overgelegd waaruit blijkt dat door de deskundige telkens een uurtarief van € 110,- wordt gehanteerd. Het gehele gedeclareerde bedrag van in totaal € 1.796,85 komt voor vergoeding in aanmerking.
12.4.
Van andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.796,85;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting stukken indienen.
2.In strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
4.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3598.
5.Een belasting die wordt gedragen over een lange, smalle lijn, zoals de muur van een gebouw.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019,
7.Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb, in samenhang gelezen met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb en artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003.