ECLI:NL:RBDHA:2025:20219
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling wegens voortvarend handelen
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 3 september 2025, waarna alleen het voortduren sinds die datum werd beoordeeld.
Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting, onder meer door late voorlegging aan de European Return Liaison Officer (EURLO) en vertraagde overhandiging van een geboorteakte aan het Egyptisch consulaat. Verweerder toonde aan dat hij direct na afzegging van een afspraak een nieuwe maakte en documenten tijdig verzond, en dat hij rappels stuurde ter bevordering van de laissez-passeraanvraag.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voortvarend heeft gehandeld binnen de toetsingsperiode en dat het niet eerder contact opnemen met de EURLO buiten de toetsingsperiode valt. Ook ambtshalve toetsing aan Europese jurisprudentie en het beginsel van non-refoulement leverde geen onrechtmatigheid op. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.
De uitspraak werd gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir en griffier F.S. Ulrich, en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.