ECLI:NL:RBDHA:2025:20087

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.21454
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen inwilliging asielaanvraag en procesbelang in bestuursrechtelijke context

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 22 oktober 2025, wordt het beroep van eiser tegen het besluit van de Minister van Asiel en Migratie behandeld. Eiser had op 6 juli 2022 een aanvraag ingediend voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 14 april 2025 was ingewilligd op basis van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser was van mening dat zijn aanvraag op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw had moeten worden ingewilligd, omdat hij vreest voor vervolging door de Taliban vanwege de politieke activiteiten van zijn vader. De rechtbank moest beoordelen of eiser procesbelang had bij het doorprocederen over de verleningsgrond van zijn verblijfsvergunning. De rechtbank concludeert dat eiser geen procesbelang heeft, omdat de verleende vergunning op de b-grond geen andere of verdergaande rechten biedt dan op de a-grond. Bovendien kan procesbelang niet worden ontleend aan een toekomstige onzekere gebeurtenis, zoals de uitkomst van een aanhangig wetsvoorstel. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wordt er geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.21454
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R. Hijma),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: M. Duijzer).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de asielaanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De asielaanvraag van eiser is ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser vindt dat zijn asielaanvraag ingewilligd had moeten worden op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser belang heeft bij doorprocederen over de verleningsgrond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet- ontvankelijk is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 6 juli 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 april 2025 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van de minister is, met bericht vooraf, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
7. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2005 en heeft de Afghaanse nationaliteit. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Ook vindt de minister geloofwaardig dat de vader van eiser bij de Afghaanse politie werkte en heeft samengewerkt met de Amerikanen. De asielaanvraag van eiser is ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (de b-grond). Eiser krijgt geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (a-grond), omdat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.
8. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat hij als vluchteling moet worden erkend en dat zijn asielaanvraag op de a-grond had moeten worden ingewilligd. Volgens eiser ziet het huidige Taliban-bewind zijn vader als een politiek tegenstander door zijn werk voor de politie en samenwerking met de Amerikanen. Eiser vreest dat de Taliban hem eenzelfde politieke overtuiging als zijn vader zal toeschrijven. Verder voert eiser aan dat de minister een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door te concluderen dat hij geen vluchteling is, omdat hij zelf in het verleden geen problemen heeft ondervonden aan de zijde van de Taliban. Volgens eiser is bepalend of hij bij terugkeer – dus in de toekomst – te vrezen heeft. Eiser stelt verder dat hij belang heeft bij deze beroepsprocedure. Daartoe wijst eiser op het wetsvoorstel dat, in verband met de introductie van een tweestatusstelsel, bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal aanhangig is. Dit wetsvoorstel betekent volgens eiser dat de rechten op gezinshereniging aanzienlijk worden beperkt voor statushouders die verblijfsrecht hebben op de b-grond. Eiser vindt hierbij van belang dat, door het ontbreken van overgangsrecht, deze beperking mogelijk directe werking heeft voor lopende nareis-aanvragen.
9. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft en dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
Procesbelang
10. De rechtbank overweegt dat een belanghebbende bij de daartoe bevoegde rechter tegen een besluit kan opkomen, indien hij of zij daarbij een belang heeft. Daarvan is sprake wanneer het instellen van het rechtsmiddel ertoe kan leiden dat de belanghebbende in een gunstigere positie zou kunnen komen. De rechtsvraag over het belang bij doorprocederen over de verleningsgrond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) beantwoord bij uitspraak van 21 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2709, r.o. 5.1). De Afdeling oordeelt in die uitspraak dat het uitgangspunt dat een belanghebbende die beroep instelt daarbij procesbelang moet hebben, eveneens van toepassing is in zaken waarin aan een vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van de b-grond, terwijl hij stelt dat de minister de asielaanvraag had moeten inwilligen op grond van de a-grond. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat aan een verblijfsvergunning op de a-grond binnen het Nederlandse vergunningenstelsel geen andere of verdergaande rechten zijn verbonden dan aan een vergunning op de b-grond. Een vreemdeling met een verblijfsvergunning op de b-grond die doorprocedeert voor een a-grond, kan met die procedure dus geen gunstigere positie bereiken, en heeft om die reden onvoldoende procesbelang. Procesbelang kan ook
niet worden ontleend aan het voormelde aanhangige wetsvoorstel. Procesbelang kan immers niet worden ontleend aan een toekomstige onzekere gebeurtenis, zoals de uitkomst van een wetgevingsprocedure. Eiser heeft dan ook geen procesbelang bij zijn beroep.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat eiser geen procesbelang heeft. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.