Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummers: [nummer 1], eiser,
[naam minderjarige zoon], v-nummer: [nummer 2]
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Zwitserland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld, het onderzoek heropend en een voorlopige voorziening toegewezen. De minister heeft gereageerd op vragen van de rechtbank en eiser heeft hierop gereageerd. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland, ondanks de door eiser aangevoerde problemen met de asielprocedure en opvang in Zwitserland. De rechtbank verwijst naar recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die dit bevestigt.
Daarnaast is geoordeeld dat de belangen van het minderjarige kind voldoende zijn meegewogen en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de overdracht aan Zwitserland de belangen van het kind schaadt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.