ECLI:NL:RBDHA:2025:20059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.49589
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenzaak

De minister van Asiel en Migratie legde op 6 oktober 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op op 20 oktober 2025, waarna de rechtbank het beroep op 21 oktober 2025 behandelde. Eiser en zijn gemachtigde waren verhinderd, de minister werd vertegenwoordigd.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam. Eiser betoogde dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat in het voorafgaande gehoor niet was gevraagd of hij wilde meewerken aan overdracht naar Duitsland en hij geen bezwaren had tegen die overdracht.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de maatregel van bewaring toepaste vanwege het onttrekkingsrisico, mede gelet op eerdere vertrekpogingen van eiser. De relatief korte periode tussen het overdrachtsbesluit en de inbewaringstelling maakte een lichter middel niet aangewezen. De beroepsgrond faalde en ook ambtshalve toetsing leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49589

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 20 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is niet aan eiser gevraagd of hij wil meewerken aan zijn overdracht naar Duitsland. Omdat deze vraag niet is gesteld heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom een lichter middel niet kan volstaan. Dit weegt des te zwaarder, omdat uit het vertrekgesprek van 7 oktober 2025 ook volgt dat eiser geen bezwaren heeft tegen de overdracht aan Duitsland. Bovendien heeft eiser zeer kort de tijd gekregen om zelfstandig te voldoen aan het overdrachtsbesluit, aangezien het overdrachtsbesluit dateert van 18 september 2025 en eiser op 6 oktober 2025 in bewaring is gesteld.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet hoeven volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Het onttrekkingsrisico volgt uit de niet betwiste zware en lichte gronden. Ook is het van belang dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken nadat aan hem het overdrachtsbesluit werd opgelegd. In de omstandigheden dat eiser zegt mee te willen werken aan overdracht en een relatief korte periode na het overdrachtsbesluit in bewaring is gesteld ziet de rechtbank dan ook geen reden om te concluderen dat de minister voor een lichter middel had moeten kiezen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [1]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.