ECLI:NL:RBDHA:2025:19983

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.50211
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5 richtlijn 2008/115Art. 15 lid 3 richtlijn 2008/115Art. 47 Handvest van de GrondrechtenArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid voortduren bewaring en terugkeerprocedure Algerijnse vreemdeling

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is sinds 29 juli 2025 in bewaring gesteld ter voorbereiding van zijn terugkeer naar Algerije. Hij heeft meerdere keren beroep ingesteld tegen de voortzetting van deze maatregel. De rechtbank beoordeelt in deze procedure de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring vanaf 10 oktober 2025 tot en met de sluiting van het onderzoek op 28 oktober 2025.

De rechtbank constateert dat verweerder de rechtbank en eiser herhaaldelijk onvolledig en onjuist heeft geïnformeerd over de terugkeerprocedure en onvoldoende voortvarend heeft gehandeld om de uitzetting binnen een redelijke termijn te effectueren. De rapportages (M120) zijn onvolledig en inconsistent en belangrijke terugkeerbesluiten en inreisverboden ontbreken in het dossier. Tevens is gebleken dat verweerder pas na aandringen volledige informatie verstrekt.

De rechtbank weegt mee dat eiser geen medewerking verleent aan zijn vertrek, maar dat hij wel over zijn paspoort beschikt en daarmee de hernieuwde inbewaringstelling had kunnen voorkomen. Verder constateert de rechtbank dat de Algerijnse autoriteiten de nationaliteit van eiser hebben bevestigd, maar dat de afgifte van een laissez-passer (lp) langdurig vertraagd is ondanks herhaalde rappellen door verweerder.

Gezien de totale duur van de terugkeerprocedure, het gebrek aan zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en de onvoldoende voortvarendheid van verweerder, concludeert de rechtbank dat de bewaring onrechtmatig voortduurt. De maatregel wordt daarom onmiddellijk opgeheven, eiser wordt vrijgelaten en hij ontvangt een schadevergoeding van € 2.000,-. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, heft de bewaring op, beveelt onmiddellijke invrijheidstelling en kent een schadevergoeding toe van € 2.000,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.50211

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1986, Algerijnse nationaliteit,
(V-nummer: [V-nummer]), eiser,
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 29 juli 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft op 15 oktober 2025 beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel en verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 16 oktober 2025 een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hier op 17 oktober op gereageerd en beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft op 17 oktober 2025 het navolgende bericht voor verweerder in het dossier geplaatst:
(…)
De rechtbank verzoekt verweerder - allereerst - schriftelijk te reageren en daarbij inhoudelijk in te gaan op alle beroepsgronden en niet te volstaan met het verwijzen naar eerdere uitspraken. De rechtbank verwacht dat verweerder ook ingaat op de door eiser genoemde data en inhoud van de vertrekhandelingen. Voor zover verweerder naar aanleiding van de beroepsgronden overgaat tot opheffing van de maatregel en schadevergoeding aan eiser aanbiedt, dient verweerder, indien niet de gevraagde hoogte van de schadevergoeding wordt aangeboden, dit te motiveren.
(…)
De rechtbank heeft op 17 oktober 2025 het navolgende bericht voor eiser in het dossier geplaatst:
(…)
De rechtbank verzoekt gemachtigde om uiterlijk op 20 oktober 2025 aan te geven of het
ouderschapsplan, waarvan ter zitting op 12 augustus 2025 is aangegeven dat de zus van
eiser dit mogelijk zou kunnen toezenden, op korte termijn zal worden verkregen. De
rechtbank verzoekt gemachtigde tevens om de op 12 augustus 2025 overgelegde foto van de
kopie geboorteakte ook aan het dossier in deze volgberoep-procedure toe te voegen en aan
te geven of zijn dochter en/of haar moeder de Franse nationaliteit hebben en dit zo mogelijk
te onderbouwen.
(…)
Eiser heeft op 17 oktober 2025 zijn eerder die dag ingediende beroepsgronden van nadere gegevens voorzien.
Verweerder heeft op 20 oktober 2025 gereageerd op de gronden van beroep.
Eiser heeft op 20 oktober 2025 voldaan aan het verzoek van de rechtbank om de kopie van de geboorteakte in dit dossier te voegen en heeft een (deel van een) verzoekschrift overgelegd en een mail van de zus van eiser aan het dossier toegevoegd.
Eiser heeft op 20 oktober 2025 gereageerd op de schriftelijke reactie van verweerder op de beroepsgronden en verzocht om een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft op 21 oktober 2025 bepaald dat het volgberoep ter zitting wordt behandeld.
De rechtbank heeft op 25 oktober 2025 een bericht voor partijen in het dossier geplaatst met de volgende inhoud:
(…)
In de M120 is vermeld dat op 9 januari 2023 een terugkeerbesluit is opgelegd, op 11 januari 2023 een inreisverbod is uitgevaardigd en dat eiser op 26 april 2023 is uitgezet naar Algerije. In de M120 van 16 oktober 2025 wordt geen melding gemaakt van andere terugkeerbesluiten en inreisverboden en deze zijn door verweerder ook niet aan het dossier in deze volgberoep-procedure toegevoegd. De rechtbank verzoekt verweerder om uiterlijk op 27 oktober 2025 om 12:00 uur alle vastgestelde terugkeerbesluiten en mogelijke inreisverboden aan het dossier toe te voegen.
De rechtbank verzoekt beide partijen om uiterlijk op 27 oktober 2025 om 16:00 uur een
standpunt in te nemen over de in deze procedure te toetsen periode omdat uit de uitspraak
van de Afdeling van 9 oktober 2025 niet blijkt wanneer het onderzoek in hoger beroep is
gesloten.
De rechtbank verzoekt verweerder tevens om uiterlijk op 27 oktober 2025 om 16:00 uur in zijn schriftelijke reactie aan te geven wanneer door de Algerijnse autoriteiten aan verweerder bekend is gemaakt dat op 11 september 2025 geen gesprek met de Algerijnse consul zou plaatsvinden. De rechtbank verzoekt verweerder ook om in te gaan op de stelling van eiser dat de opheffing van de maatregel op 7 maart 2025 is ingegeven door capaciteitsgebrek en met name of dit de reden van de opheffing is en hoe zich dit verhoudt met een hernieuwde inbewaringstelling. Tot slot verzoekt de rechtbank verweerder, omdat eerder verstrekte informatie onjuist is gebleken, aan te geven hoe vaak na de nationaliteitsbevestiging die op 15 november 2024 heeft plaatsgevonden, door de DIA op zaaksniveau is gerappelleerd op het verzoek om afgifte van een lp dat op 1 november 2024 door de DIA is verzonden aan de Algerijnse autoriteiten.
(…)
Beide partijen hebben op 27 oktober 2025 gereageerd op het bericht van de rechtbank van 25 februari 2025.
De gemachtigde van eiser heeft voorafgaand aan de behandeling ter zitting een brief van de Afdeling overgelegd waarin de Afdeling een vraag van gemachtigde heeft beantwoord.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 ter zitting behandeld. De rechtbank heeft eiser niet opgeroepen om in persoon te verschijnen. Beide gemachtigden zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding en standpunten van partijen
1. Verweerder heeft op 9 januari 2023 een terugkeerbesluit vastgesteld en op 11 januari 2023 een inreisverbod jegens eiser uitgevaardigd. Verweerder heeft op 26 april 2023 dit terugkeerbesluit uitgevoerd en eiser verwijderd naar Algerije, waarbij het paspoort van eiser als reisdocument is gebruikt. De rechtbank heeft verweerder op 25 oktober 2025 verzocht om uiterlijk op 27 oktober 2025 om 12:00 uur alle vastgestelde terugkeerbesluiten en mogelijke inreisverboden aan het dossier toe te voegen. De rechtbank stelt vast dat dit terugkeerbesluit en inreisverbod niet aan het dossier zijn toegevoegd.
2. Verweerder heeft op 30 oktober 2024 wederom een terugkeerbesluit vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat ook dit terugkeerbesluit niet aan het dossier is toegevoegd. Uit de uitspraak van 14 november 2024 van rechtbank en zittingsplaats Den Haag blijkt dat eiser voorafgaand aan oplegging van dit terugkeerbesluit heeft verklaard een vrouw en kind te hebben die in Frankrijk verblijven, maar dat de rechtbank het beroep tegen de vaststelling van het terugkeerbesluit ongegrond heeft verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2024:19511).
3. Uit de M120 die is gedateerd op 16 oktober 2025 en die verweerder in deze volgberoep-procedure heeft overgelegd, blijkt dat eiser op 24 oktober 2025 in het DTC is geplaatst en dat eiser op 25 oktober 2024 een asielaanvraag heeft ingediend. Uit deze M120 blijkt ook dat verweerder op 1 november 2024 de Algerijnse autoriteiten heeft verzocht om de afgifte van een lp, dat eiser op 14 november 2024 in persoon is gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten en dat deze autoriteiten op 15 november 2024 hebben bevestigd dat eiser de Algerijnse nationaliteit heeft. De Algerijnse autoriteiten hebben de nationaliteitsbevestiging niet gepaard doen gaan met de afgifte van een lp of de toestemming dat tot afgifte zal worden overgegaan. Uitsluitend uit de beroepsgronden van eiser kan de rechtbank afleiden dat eiser vanaf 30 oktober 2024 in bewaring is gesteld ter fine van terugkeer naar Algerije en uitsluitend vanwege de beroepsgronden van eiser weet de rechtbank dat deze maatregel op 7 maart 2025 is opgeheven. Dit blijkt niet uit de M120 die verweerder in deze volgberoep-procedure heeft overgelegd. Indien eiser geen beroepsgronden zou hebben opgesteld maar zich zou hebben gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zou de rechtbank op grond van de door verweerder verschafte informatie tot opheffing van de maatregel zijn overgegaan omdat de M120 de indruk wekt dat eiser vanaf 24 oktober 2024 tot aan de oplegging van de in deze procedure te toetsen maatregel onafgebroken in bewaring is gehouden.
4. Verweerder heeft op 29 juli 2025 een terugkeerbesluit vastgesteld waarin Algerije als land van terugkeer is vermeld en een vertrektermijn is onthouden. Tevens is op 29 juli 2025 een inreisverbod met een duur van twee jaar uitgevaardigd. Verweerder heeft dit terugkeerbesluit en inreisverbod niet uit eigen beweging aan het volgberoep-dossier toegevoegd. Dit had wel gemoeten omdat het terugkeerbesluit de grondslag is voor de maatregel op grond waarvan eiser thans in bewaring wordt gehouden en de rechtbank ook in deze procedure moet nagaan of de in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan de uitvoering van dit terugkeerbesluit in de weg staan. Dat tevens een inreisverbod is uitgevaardigd is voor deze beoordeling relevant en dus moet ook dat document uit eigen beweging door verweerder in dit dossier worden gevoegd. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod.
5. In de eerder genoemde uitspraak van de rechtbank en zittingsplaats Den Haag van 14 november 2024 is onder meer het navolgende overwogen:
(…)
Allereerst stelt de rechtbank vast dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft verklaard dat
verweerder terecht geen nieuw inreisverbod heeft opgelegd, nu het oude inreisverbod nog
van kracht was. De gemachtigde van eiser laat deze beroepsgrond dan ook vallen.
(…)
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser na deze uitspraak en de onderhavige procedure het grondgebied van de Unie niet heeft verlaten. Dit zou betekenen dat ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod op 29 juli 2025 ‘het oude inreisverbod’ ook nog van kracht was. Het inreisverbod staat niet ter toetsing in de onderhavige procedure. De rechtbank gaat er evenwel van uit dat verweerder dit zal nagaan en zo nodig het op 29 juli 2025 vastgestelde inreisverbod zal intrekken om te voorkomen dat inreisverboden worden ‘gestapeld’. Ter zitting heeft de rechtbank verweerder gevraagd waarom er op 29 juli 2025 een terugkeerbesluit is vastgesteld als er op 30 oktober 2024 ook een terugkeerbesluit is vastgesteld. De rechtbank moest dit wel vragen omdat dit terugkeerbesluit niet in dit dossier is gevoegd. Verweerder heeft aangegeven dat de reden van de vaststelling van dit terugkeerbesluit is gelegen in het onthouden van een vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod. Ook dit terugkeerbesluit staat in de onderhavige procedure op zichzelf niet ter toetsing maar het roept wel vragen op omdat de rechtbank moet beoordelen of er een maximale duur geldt om een derdelander in bewaring te houden op grond van één terugkeerbesluit. Dit kan verweerder niet zijn ontgaan want dit is namelijk een van de beroepsgronden en de argumenten om deze grond te onderbouwen zijn door eiser ook reeds aangevoerd bij de vorige rechterlijke controles van deze maatregel.
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de voortduring van de maatregel onrechtmatig is en dat hij in vrijheid moet worden gesteld en in aanmerking moet worden gebracht voor schadevergoeding. Als beroepsgronden voert eiser aan dat verweerder bij herhaling de rechtbank onvolledig en onjuist heeft geïnformeerd over de voortgang van de terugkeerprocedure. Onder verwijzing naar rechtspraak stelt eiser dat dit reeds tot de opheffing van de maatregel moet leiden. Eiser stelt zich overigens op het standpunt dat verweerder een verzwaarde belangenafweging moet maken omdat eiser van vanaf 30 oktober 2024 tot en met 7 maart 2024 128 dagen in bewaring is gehouden en vanaf 29 juli 2025 tot en met het onderzoek 91 dagen in bewaring wordt gehouden ter fine van terugkeer naar Algerije. Dat verweerder in zijn beleid heeft opgenomen tot een verzwaarde belangenafweging over te gaan als sprake is van een onafgebroken periode van vrijheidsontneming doet niet af aan de totale duur van de periode dat verweerder tracht om eiser vanuit bewaring te verwijderen. Eiser heeft gewezen op de Conclusie van de AG in de zaak Aroja (C‑150/24, ECLI:EU:C:2025:667). Eiser voert verder aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt gelet op het tijdsverloop sinds de nationaliteitsbevestiging en dat verweerder overigens onvoldoende voortvarend werkt aan de terugkeer van eiser naar Algerije.
7. Verweerder heeft ter zitting gereageerd op de gronden en acht de tenuitvoerlegging van de maatregel in de te toetsen periode rechtmatig.
De te toetsen periode in deze volgberoep-procedure
8. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van de oplegging en voortduring van deze maatregel eerder gecontroleerd. In de uitspraak van 15 augustus 2025 heeft de rechtbank vastgesteld dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en rechtmatig heeft voortgeduurd tot aan de sluiting van het onderzoek in die procedure op 12 augustus 2025 (ECLI:NL:RBLIM:2025:8021, niet gepubliceerd). Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
9. Eiser heeft op 8 september 2025 een volgberoep ingediend. De rechtbank heeft dit volgberoep op 16 september 2025 behandeld op zitting. In de uitspraak van 22 september 2025 heeft de rechtbank vastgesteld dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek ter zitting op 16 september 2025, rechtmatig was (ECLI:NL:RBLIM:2025:9127, niet gepubliceerd).
10. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 16 september 2025 nog niet beoordeeld. In de onderhavige procedure beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de voortduring van de maatregel omdat eiser op 15 oktober 2025 een volgberoep heeft ingediend.
11. De Afdeling heeft 9 oktober 2025 de uitspraak van de rechtbank van 15 augustus 2025 bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard (ECLI:NL:RVS:2025:4856). De rechtbank stelt vast dat de Afdeling het hoger beroep niet op zitting heeft behandeld en dat de Afdeling niet heeft vermeld wanneer het onderzoek in hoger beroep is gesloten. De Afdeling heeft in deze uitspraak onder meer het navolgende overwogen:
(…)
Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. (…)
(…)
De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.(…)
(…)
12. De rechtbank heeft partijen de vraag voorgehouden of zij menen dat de Afdeling alleen de rechtmatigheid van de bewaring heeft beoordeeld in de periode waar de rechtbankuitspraak betrekking op heeft of dat de Afdeling, die er van op de hoogte is, gelet op de door verweerder overgelegde grieven van eiser, dat de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsontnemende maatregel ten tijde van haar uitspraak voortduurt, een (ambtshalve) ex nunc beoordeling heeft verricht van de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel en dat de datum van de uitspraak van de Afdeling moet worden beschouwd als de aanvang van de in de onderhavige periode te toetsen periode.
13. De rechtbank acht dit relevant omdat de rechtbank de rechtmatigheidsbeoordeling van de Afdeling niet kan ‘overdoen’, maar het tegelijkertijd niet zo kan zijn de periode sinds de sluiting van het onderzoek door de rechtbank op 16 september 2025 tot aan de uitspraak van de Afdeling op 9 oktober 2025 niet aan een rechterlijke controle wordt onderworpen. De rechtbank moet dus bepalen welke feiten en omstandigheden door de rechtbank in deze procedure moeten worden betrokken en, voor het geval de rechtbank de voortduring van de maatregel onrechtmatig zou vinden, welke periode van tenuitvoerlegging in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding.
14. Gemachtigde van eiser heeft de Afdeling op 26 oktober 2025 verzocht om aan te geven wanneer het onderzoek is gesloten in haar uitspraak waarin zij het hoger beroep ongegrond heeft verklaard. Gemachtigde van eiser heeft op 28 oktober 2025 de brief van de Afdeling van 27 oktober 2025 overgelegd waarin de Afdeling mededeelt dat het onderzoek in hoger beroep is gesloten op 9 oktober 2025.
15. De rechtbank overweegt dat de Afdeling de maatregel dus rechtmatig heeft geacht vanaf de oplegging op 29 juli 2025 tot aan de uitspraak in hoger beroep op 9 oktober 2025. De rechtbank kan de periode van de voortzetting van de tenuitvoerlegging vanaf de datum van sluiting van het onderzoek in de voorgaande volgberoep-procedure op 16 september 2025 tot aan de uitspraak op hoger beroep dus niet betrekken bij haar uitspraak. De rechtbank merkt hierover op dat de grieven van eiser zijn gedateerd op 22 augustus 2025 en dat deze grieven niet zijn voorzien van producties. In de uitspraak van de Afdeling is de uitspraak van de rechtbank van 15 augustus 2025 beoordeeld. De Afdeling heeft niet vermeld of zij stukken heeft betrokken in haar uitspraak die niet door de rechtbank in de uitspraak van 15 augustus 2025 zijn betrokken. De rechtbank weet ook niet of de Afdeling er van op de hoogte is dat de rechtbank in haar uitspraak van 22 september 2025 de tenuitvoerlegging van de maatregel van 12 augustus 2025 tot en met 16 september 2025 ook heeft beoordeeld.
16. Eiser heeft nadat de rechtbank het onderzoek heeft gesloten in die procedure waar het hoger beroep betrekking op heeft nadere stukken overgelegd. De rechtbank kan niet nagaan of de Afdeling ook over die stukken beschikt en die stukken dus heeft betrokken bij de uitspraak op hoger beroep waarin het onderzoek op 9 oktober 2025 is gesloten. De Afdeling heeft dus deels geoordeeld over een periode van tenuitvoerlegging van de maatregel waar de rechtbank in het volgberoep uitspraak op heeft gedaan. Eiser is evenwel, doordat er geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een uitspraak in een volgberoep, niet in staat geweest om grieven in te dienen tegen de voortduring van de maatregel en de beoordeling daarvan door de rechtbank. De rechtbank weet niet of de Afdeling een termijn bepaalt tot wanneer partijen in hoger beroep nadere stukken mogen overleggen en de rechtbank weet niet of partijen zich realiseren dat de Afdeling niet alleen de uitspraak van de rechtbank zo nodig ambtshalve beoordeelt, maar tevens de periode waarin de maatregel heeft voortgeduurd nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het eerste beroep. De rechtbank stelt vast dat de voortduring van de maatregel deels in twee instanties is beoordeeld. De rechtbank sluit evenwel niet uit dat de Afdeling niet heeft beschikt over de producties die eiser na het indienen van de grieven en ook in de onderhavige procedure heeft overgelegd. De rechtbank betrekt deze producties zo nodig bij haar beoordeling omdat moet worden voorkomen dat eiser doordat de rechtbank en de Afdeling verplicht zijn om zo nodig ambtshalve de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel te beoordelen, een niet volledige beoordeling van de door hem relevant geachte feiten en omstandigheden verkrijgt.
17. De rechtbank doet formeel uitspraak over de periode van 10 oktober 2025 tot en met de sluiting van het onderzoek op 28 oktober 2025, maar zal voor zover feiten en omstandigheden uit dit dossier blijken die bekend zijn geworden na 16 september 2025, deze betrekken bij haar rechtmatigheidsbeoordeling. De rechtbank ziet zich hiertoe genoodzaakt omdat de Afdeling in haar uitspraak niet kenbaar heeft gemaakt op welke feiten en omstandigheden de beoordeling dat zij ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten is gebaseerd. Omdat de Afdeling het onderzoek op 9 oktober 2025 heeft gesloten gaat de rechtbank er dus van uit dat de Afdeling tot het sluiten van het onderzoek op 9 oktober 2025 de voortduring van de maatregel rechtmatig heeft geacht en het ambtshalve rechtmatigheidsonderzoek van de Afdeling een ex nunc rechtmatigheidsbeoordeling behelst omdat ook de hoger beroepsrechter verplicht is om eiser onmiddellijk in vrijheid te stellen als de maatregel op grond waarvan eiser ten tijde van de hoger beroepsuitspraak in bewaring wordt gehouden op enig moment onrechtmatig is geweest of geworden.
Rechtmatigheidsbeoordeling door de rechtbank
18. Verweerder draagt de bewijslast voor het rechtmatige karakter van het opleggen en het voortduren van een bewaringsmaatregel. Verweerder maakt immers door eiser in bewaring te stellen inbreuk op het grondrecht op vrijheid van eiser en meent dat dit gerechtvaardigd is. Zoals het Hof in haar arresten C.B.X [1] , Bouskoura [2] en Adrar [3] heeft benadrukt vormt iedere bewaring een ernstige inmenging op het in artikel 6 van Pro het Handvest neergelegde grondrecht op vrijheid. Dit betekent onder meer dat de rechtbank hoge eisen stelt aan de zorgvuldigheid waarmee verweerder handelt als hij vreemdelingen in bewaring stelt en in bewaring houdt.
19. De rechtbank controleert, aan de hand van de beroepsgronden en zo nodig ambtshalve, alle aspecten van de maatregel die de rechtmatigheid van de maatregel regarderen. Verweerder dient de rechtbank in staat te stellen om aan haar verplichting te voldoen om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden, welke verplichting in de onderhavige procedure voortvloeit uit artikel 15, derde lid, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 47 van Pro het Handvest van de Grondrechten. Dit betekent dat verweerder een dossier moet overleggen op grond waarvan de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel kan controleren. Het spreekt voor zich dat dit dossier volledig moet zijn en dat er geen twijfel mag bestaan over de feiten.
20. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de rechtbank onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd over de vertrekhandelingen die hij heeft verricht en vindt dat het onjuist en onvolledig informeren reeds reden is om tot opheffing van de maatregel over te gaan en dat dit hierbij moet worden betrokken dat bij de twee eerdere rechterlijke controles van deze maatregel dit ook al het geval was. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht wat volgens verweerder abusievelijk foutief of onvolledig is vermeld.
21. De rechtbank overweegt dat, daargelaten de argumenten van eiser die betrekking hebben op onjuiste en/of onvolledige informatie in de twee voorgaande bewaringsprocedures, verweerder in deze procedure de rechtbank uit eigen beweging niet volledig heeft geïnformeerd. De M120 is een voortgangsrapportage met betrekking tot de uitzetting. De vreemdeling kan op grond van de M120 nagaan welke vertrekhandelingen verweerder verricht en de rechtbank bepaalt de rechtmatigheidsbeoordeling voor een groot deel aan de hand van de M120.
22. De rechtbank heeft partijen ter zitting voorgehouden dat de M120 die in deze volgberoep-procedure is overgelegd andere gegevens bevat dan de M120 die in de eerdere volgberoep-procedure is overgelegd, terwijl uit de actuele M120 niet blijkt dat er gegevens zijn verwijderd, toegevoegd of gewijzigd. In de M120 is niet vermeld, zoals hiervoor overwogen, hoe lang verweerder eiser op welke grondslag in bewaring heeft gehouden. Tevens is niet vermeld welke terugkeerbesluiten zijn vastgesteld en inreisverboden zijn opgelegd. Dit zijn evenwel relevante gegevens voor de rechtmatigheidsbeoordeling die de rechtbank moet verrichten. Eiser heeft aangegeven dat hij op 7 maart 2025 in vrijheid is gesteld in verband met capaciteitsproblemen in het DTC. Ook dit is niet vermeld in de M120 die in deze procedure is overgelegd. Eiser heeft echter terecht aangevoerd dat deze opheffing van de eerdere maatregel relevant is voor de vraag of de actuele maatregel nog evenredig is en dus moet worden betrokken bij het verrichten van de belangenafweging. Ook in deze procedure is, net als in de twee eerdere procedures, voorts onduidelijk hoe vaak en op welke data de DIA op zaaksniveau heeft gerappelleerd en heeft verweerder ter zitting om vragen van de rechtbank te kunnen beantwoorden, uit interne stukken moeten voorlezen dat er een dergelijk rappel heeft plaatsgevonden op 11 september 2025 terwijl dit niet in de M120 is vermeld. Tevens is eerder vermeld dat er een dergelijk rappel zou zijn gevolgd op 18 september 2025, maar ter zitting is medegedeeld dat dit 16 september 2025 moet zijn. Deze gegevens corresponderen weer niet met de gegevens die verweerder in de voorgaande volgberoep-procedure heeft verstrekt. De gemachtigde van eiser heeft de regievoerder gemaild met het verzoek aan te geven of het rappel van 18 september 2025 resultaat heeft opgeleverd en de regievoerder heeft aangegeven dat de DT&V nog geen antwoord heeft ontvangen van de Algerijnse autoriteiten na het rappel van 18 september 2025. Deze regievoerder heeft de M120 opgesteld, maar het rappel van 18 september 2025 niet vermeld. In de brief van 20 oktober 2025 heeft verweerder hierover het volgende aangegeven:
(…)
Sinds 16 sept 2025 heeft verweerder het volgende gedaan:

16 sept 2025: schriftelijk rappel

16 sept 2025: rappel door DIA op zaaksniveau

25 sept 2025: schriftelijk rappel

16 oktober : schriftelijk rappel
Zoals uit het overzicht hierboven blijkt werkt verweerder voortvarend aan de uitzetting. Verweerder is echter, zoals bekend, afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten. De datum van 18 sept 2025 uit de M120 en zoals genoemd in de uitspraak van 22 sept 2025 moet overigens 16 sept 2025 zijn, zo heeft de regievoerder zojuist telefonisch bevestigd. Deze datum stond foutief in het zogenoemde ‘journaal’, wat heeft geleid tot dit misverstand.
(…)
23. In de brief van 27 oktober 2025 heeft verweerder hierover het navolgende opgenomen:
(…)
Uit navraag bij de regievoerder en bij navraag bij de landsverantwoordelijke medewerker van DIA blijkt dat op 11 september 2025 weldegelijk door DIA op zaaksniveau, in de zaak van eiser, is gerappelleerd ten aanzien van de afgifte van een lp. De consul had nog geen antwoord. Op donderdag 16 september stond er weer een gesprek tussen DIA en de Algerijnse vertegenwoordiging en toen is wederom aandacht gevraagd voor het dossier van eiser.
(…)
24. De rechtbank moet onder meer controleren of verweerder voldoende voortvarend handelt om de verwijdering van eiser te effectueren. Gelet op de duur van de terugkeerprocedure die reeds is aangevangen met het nemen van het eerste terugkeerbesluit nadat eiser is verwijderd, kan het doorslaggevend zijn voor de rechtmatigheidsbeoordeling of en zo ja hoe vaak, verweerder heeft gerappelleerd op de lp-aanvraag en of verweerder heeft volstaan met het schriftelijk rappelleren. Verweerder dient zowel eiser als de rechtbank -correct en volledig- te informeren over de handelingen die hij heeft verricht. Verweerder dient dit ook uit eigen beweging te doen en niet pas als eiser er bij herhaling op moet wijzen dat verweerder onjuiste gegevens verstrekt over de terugkeerprocedure. Het past een bestuursorgaan niet om de wederpartij en de rechtbank onjuist te informeren over zijn handelingen. Als het onjuist en/of onvolledig informeren in een bewaringsprocedure geschiedt acht de rechtbank dit buitengewoon kwalijk. Verweerder dient uiterste zorgvuldigheid te betrachten als hij een bewaringsmaatregel oplegt en dient uiterste zorgvuldigheid te betrachten bij de verslaglegging van zijn handelingen. Verweerder moet zich ook realiseren dat een volgberoep wordt beoordeeld op grond van het dossier dat verweerder in deze procedure overlegt en dat de rechtbank dus niet alle eerdere dossiers van deze maatregel bij elkaar voegt en dat overigens niet steeds dezelfde rechter de rechtmatigheid van de maatregel beoordeelt. De rechtbank heeft in deze procedure, doordat eiser er op heeft gewezen dat ook in eerdere procedures de rechtbank onjuist en onvolledig is voorgelicht, wel kennis genomen van de dossiers waar de eerdere uitspraken van de rechtbank op zijn gebaseerd. De rechtbank stelt vast dat in deze drie procedures geen gelijkluidende gegevens zijn verschaft door verweerder en dat roept vragen op over de betrouwbaarheid van de gegevens die verweerder in deze procedure verstrekt.
25. Zoals hiervoor overwogen is het aan verweerder om te onderbouwen dat de maatregel rechtmatig voortduurt en is het aan verweerder om zodra een volgberoep wordt ingesteld uit eigen beweging volledige en juiste informatie te verschaffen zodat eiser en de rechtbank de rechtmatigheid kunnen controleren. Zoals de rechtbank bij aanvang van de behandeling van het volgberoep ter zitting heeft aangegeven, heeft het onevenredig veel inspanningen gevergd om de feiten vast te stellen en heeft de rechtbank het volgberoep noodzakelijkerwijs op zitting moeten behandelen omdat verweerder niet uit eigen beweging en niet in reactie op de gronden juiste en volledige informatie heeft verschaft. De rechtbank stelt ook vast dat verweerder niet volledig heeft voldaan aan de verzoeken van de rechtbank van 17 en 25 oktober 2025 om nadere informatie te verschaffen. De rechtbank merkt hierbij op dat ook ten tijde van de vorige toetsing, verweerder ter zitting blijkens de aan het dossier van deze procedure toegevoegde zittingsaantekeningen van 16 september 2025 heeft erkend dat de rechtbank onvolledig is voorgelicht met betrekking tot een rappel dat op 7 februari 2025 heeft plaatsgevonden. Tijdens diezelfde zitting heeft verweerder blijkens de zittingsaantekeningen aangegeven dat verweerder op 11 september 2025 persoonlijk heeft gerappelleerd en dat dit op 18 september 2025 wederom zou plaatsvinden. Dit stond ook in de aanbiedingsbrief die ten behoeve van die volgberoep-procedure is opgesteld en de rechtbank heeft dit ook zo opgenomen in de uitspraak van 22 september 2025 omdat verweerder dit tijdens de zitting heeft medegedeeld.
26. De rechtbank overweegt dat volgberoepen doorgaans schriftelijk worden afgedaan en dat zowel de (gemachtigde van de) vreemdeling als de rechtbank zich moeten baseren op de M120 en er hierbij van uit moeten kunnen gaan dat de verslaglegging in de M120 volledig en accuraat is. De rechtbank overweegt ook dat indien meerdere keren een M120 ten behoeve van dezelfde vreemdeling aan diens gemachtigde en aan de rechtbank wordt verstrekt, verweerder moet verzekeren dat de in de M120 weergegeven informatie een juiste en volledige weergave van de feiten bevat. De rechtmatigheidsbeoordeling van de voortduring van de tenuitvoerlegging van de maatregel vindt voornamelijk plaats op grond van de door verweerder verstrekte informatie. Indien de inhoud van de M120 wordt gewijzigd terwijl mede op grond van de eerdere M120 een uitspraak door de rechtbank is gedaan, is het noodzakelijk dat uit de M120 of in een bijlage bij die M120 blijkt dat de gegevens zijn aangepast, welke gegevens dit zijn en wanneer deze wijziging heeft plaatsgevonden. Het heeft in deze volgberoep-procedure onevenredig veel inspanningen gevergd om de feiten vast te kunnen stellen en dit is niet aanvaardbaar omdat deze feiten aanstonds duidelijk moeten zijn en bovendien heeft te gelden dat als moet worden getwijfeld over de inhoud van de M120, ook kan worden getwijfeld op welke gegevens verweerder zijn standpunt dat hij eiser in bewaring heeft mogen houden dan is gebaseerd. Deze beroepsgrond van eiser slaagt en is reeds reden om de maatregel op te heffen. De rechtbank merkt hierbij op dat deze conclusie niet zozeer is gegrond op artikel 8:42 van Pro de Awb, maar op het karakter van vrijheidsontneming en het Unierechtelijke grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte.
27. De rechtbank overweegt voorts dat voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat hij nog geen verzwaarde belangenafweging hoeft te verrichten dit juist is voor zover verweerder zijn eigen beleid toepast. Verweerder dient evenwel gedurende de gehele periode dat hij eiser in bewaring houdt zich te vergewissen of het belang om eiser in bewaring te houden en eiser vanuit te verwijderen groter is dan het belang voor eiser om in vrijheid te worden gesteld. De rechtbank merkt op dat verweerder verplicht is om eiser te verwijderen omdat eiser illegaal in Nederland verblijft en geen verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf in een andere lidstaat heeft en niet uit eigen beweging heeft voldaan aan zijn terugkeerverplichting. Verweerder heeft evenwel ter zitting erkend eiser op 7 maart 2025 tegelijkertijd met enkele andere vreemdelingen in vrijheid te hebben gesteld vanwege capaciteitstekorten in het DTC. Dit betekent temeer dat verweerder ervoor moet waken om niet te vervallen in het standaardmatig toepassen van termijnen en pas na zes maanden ononderbroken vrijheidsontneming een (kenbare) belangenafweging te verrichten. Eiser heeft gewezen op de Conclusie van de AG in de zaak Aroja (C‑150/24, ECLI:EU:C:2025:667) die betrekking heeft op -kort gezegd- de uitlegging van bepalingen uit richtlijn 2008/115 waaruit volgt hoe de maximale termijn moet worden bepaald dat een derdelander in bewaring kan worden gehouden om de terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. De rechtbank heeft ter zitting in dit verband gewezen op Décision n° 2025-1172 QPC van 16 oktober 2025 waarin de Conseil Constitutionel in Frankrijk -kort gezegd- heeft bepaald dat een hernieuwde inbewaringstelling op grond van een zelfde verwijderingsbesluit mogelijk is, maar wel is vereist dat wettelijke waarborgen bestaan om te voorkomen dat een dergelijke hernieuwde inbewaringstelling geen maximale duur kent van de totale detentie. Vooralsnog wordt artikel 15 van Pro richtlijn 2008/115 aldus uitgelegd dat bij de bepaling van de maximale duur van een specifieke maatregel op grond van deze richtlijn uitsluitend de periode van ononderbroken bewaring in ogenschouw wordt genomen. De rechtbank sluit niet uit dat het Hof de Conclusie in de zaak Aroja gaat volgen, maar het Hof deze Conclusie wellicht zal nuanceren door ruimte open te laten voor een hernieuwde inbewaringstelling na een zeker tijdsverloop of indien sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden waaruit zicht op uitzetting volgt en bij een niet meewerkende houding van de vreemdeling en/of bij een gevaar voor de openbare orde. De lidstaten zijn immers verplicht om illegaal verblijf te beëindigen en deze verplichting is niet in tijd beperkt en ook niet gekoppeld aan de maximale duur van de bewaring.
28. De rechtbank overweegt dat in de onderhavige procedure aan de periode dat verweerder eiser in bewaring heeft gehouden om de terugkeer van eiser te bewerkstelligen voordat hij eiser uit eigen beweging op 7 maart 2025 in vrijheid heeft gesteld niet een zodanig gewicht toekomt dat eiser thans op grond van een belangenafweging in vrijheid moet worden gesteld. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser geen enkele medewerking verleent aan zijn vertrek. Eiser beschikt evenwel over een paspoort dat hij in zijn land van herkomst in bewaring heeft gegeven en eiser heeft in zijn vertrekgesprek op 25 september 2025 aangegeven dat hij zijn paspoort laat opsturen zodra hij in vrijheid is gesteld en dat hij niet wil dat zijn paspoort wordt gebruikt voor zijn uitzetting. De rechtbank stelt vast dat eiser eenvoudig in staat is geweest om de hernieuwde inbewaringstelling te voorkomen omdat hij kan beschikken over zijn paspoort en dus heeft kunnen voldoen aan zijn terugkeerverplichting. Eiser had ook eenvoudig kunnen voorkomen dat hij inmiddels drie maanden in bewaring wordt gehouden op grond van de op 29 juli 2025 opgelegde maatregel door zijn paspoort te laten opsturen. De rechtbank is het dus eens met eiser dat voortdurend de belangen moeten worden gewogen maar is het niet eens met eiser dat de totale duur dat eiser op grond van twee maatregelen in bewaring is gehouden ter fine van terugkeer meebrengt dat zijn belang nu prevaleert en de maatregel moet worden opgeheven.
29. De rechtbank overweegt verder dat verweerder in de gehele terugkeerprocedure vier keer op zaaksniveau heeft gerappelleerd, waarvan de laatste keer op 16 september 2025. In de brief van verweerder van 20 oktober 2025 is aangegeven dat de regievoerder op 13 oktober 2025 bericht van de DIA heeft gekregen dat op korte termijn wederom op zaaksniveau zou worden gerappelleerd. De rechtbank stelt vast dat dit ten tijde van het onderzoek ter zitting nog niet is geschied. Op 16 oktober 2025 is wel schriftelijk gerappelleerd. De rechtbank overweegt dat dit onvoldoende is en dat thans niet meer kan worden volstaan met schriftelijk rappelleren. Verweerder heeft in deze terugkeerprocedure die is aangevangen met het vaststellen van een terugkeerbesluit op 30 oktober 2024 reeds 18 keer schriftelijk gerappelleerd en dit leidt dus niet tot de afgifte van een lp en het vertrek van eiser. Uit de in deze procedure overgelegde M120 blijkt dat de Algerijnse autoriteiten de nationaliteit van eiser op 15 november 2024 hebben bevestigd op basis van een kopie van zijn id-document. Eiser is op 26 april 2023 uitgezet en teruggekeerd naar Algerije met gebruikmaking van zijn paspoort en eiser heeft verklaard over een paspoort te beschikken. De rechtbank stelt vast dat het onderzoeken of een lp kan worden verstrekt geen nader onderzoek door de Algerijnse autoriteiten vergt omdat er geen misverstand kan bestaan over de reeds bevestigde nationaliteit en Algerije bovendien verplicht is om zijn eigen onderdanen terug te laten keren. Dit betekent dat verweerder de medewerking van de Algerijnse autoriteiten mag verwachten en dit betekent ook verweerder meer inspanningen moet verrichten om die medewerking te verkrijgen. De rechtbank begrijpt best, zoals ook besproken ter zitting, dat verweerder belang heeft bij het onderhouden van goede diplomatieke banden met de autoriteiten van derde landen. Verweerder is echter verplicht om de bewaring zo kort mogelijk te laten voortduren en dat vereist dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de terugkeer van eiser. Indien verweerder vreest dat het ‘steviger rappelleren’ de diplomatieke verhoudingen schaadt en verweerder daarom een afwachtende houding aanneemt of volstaat met een schriftelijk rappel, voldoet verweerder niet aan zijn verplichtingen omdat dit geen rechtvaardiging is om eiser langer in bewaring te houden. Eiser werkt in het geheel niet mee aan zijn vertrek. Dit doet echter niet af aan de omvang en inhoud van deze verplichting die verweerder heeft. Verweerder voert ook vertrekgesprekken en hoewel deze gesprekken in beginsel ook worden aangemerkt als verwijderingshandelingen, dragen deze gesprekken in de onderhavige procedure niet bij aan het vertrek van eiser. Verweerder is afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten voor de afgifte van een lp en heeft door na 16 september 2025 te volstaan met schriftelijk rappelleren onvoldoende voortvarend gewerkt aan de terugkeer. Deze beroepsgrond slaagt dus en is een zelfstandige reden om de maatregel op te heffen.
30. De rechtbank overweegt verder dat de beroepsgrond dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ook slaagt en ook een zelfstandige reden is om de maatregel op te heffen. De Algerijnse autoriteiten hebben de Algerijnse nationaliteit van eiser op 15 november 2024 na een presentatie in persoon en op grond van een kopie van het identiteitsdocument bevestigd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2025 blijkt dat verweerder tot 9 oktober 2025 voldoende voortvarend aan de verwijdering van eiser heeft gewerkt. Verweerder heeft veelvuldig schriftelijk gerappelleerd op de lp-aanvraag die nagenoeg een jaar geleden, op 1 november 2024, is gedaan. Eiser werkt weliswaar in het geheel niet mee aan zijn terugkeer maar gelet op bovenstaande feiten en de duur van deze terugkeerprocedure, krijgt het laten voortduren van een bewaringsmaatregel op enig moment een punitief karakter en de rechtbank bepaalt dat dat moment nu is. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de op 1 juli 2024 gestarte consul een ander beleid hanteert ten aanzien van niet-gedocumenteerde vreemdelingen. De rechtbank overweegt dat dit, anders dan verweerder veronderstelt, juist een aanwijzing is dat niet valt te verwachten dat er binnen een redelijke termijn tot afgifte van een lp zal worden overgegaan. De rechtbank overweegt dat bij een hernieuwde inbewaringstelling niet een geheel nieuwe termijn aanvangt om te beoordelen of er een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat maar dat voor deze beoordeling de hele terugkeerprocedure relevant is. Het argument dat de Algerijnse autoriteiten niet hebben aangeven dat er geen lp zal worden verstrekt is welllicht feitelijk juist maar juridisch komt hier in de onderhavige procedure geen gewicht aan toe.
31. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet blijkt dat inmiddels moet worden volstaan met de oplegging van een lichter middel. Het is evident dat een lichter middel niet tot de terugkeer van eiser naar Algerije zal leiden omdat eiser consistent heeft verklaard zich onmiddellijk naar Frankrijk te zullen begeven als hij wordt vrijgelaten. Ook zijn er geen aanwijzingen dat het voortduren van de maatregel onevenredig bezwarend is geworden.
32. De rechtbank heeft ter zitting het arrest Adrar aan de orde gesteld en benoemd dat de feiten in deze procedure grotendeels vergelijkbaar zijn met de feiten in de procedure die tot het arrest Adrar heeft geleid en waarin de rechtbank de vreemdeling in vrijheid heeft gesteld. Partijen hebben ter zitting aangegeven dat sinds de uitspraak van de Afdeling op 9 oktober 2025 er geen relevante wijziging van feiten en omstandigheden heeft plaatsgevonden. De rechtbank moet uitgaan van de eerdere rechterlijke controles waarin is geoordeeld dat de in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/1115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement niet aan de uitvoering van het terugkeerbesluit in de weg staan. De rechtbank stelt vast dat de zogenoemde ‘Adrar-controle’ in de te toetsen periode niet tot een andere beoordeling leidt.
33. De rechtbank concludeert dat de maatregel onrechtmatig voortduurt en zal de maatregel opheffen omdat verweerder bij herhaling de rechtbank onvolledig heeft geïnformeerd over de voortgang van de terugkeerprocedure, omdat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en omdat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Er zijn dus drie beroepsgronden die slagen en die alle drie op zichzelf beschouwd tot de conclusie leiden dat de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig is geworden. De rechtbank acht de tenuitvoerlegging van de maatregel in de gehele te toetsen periode onrechtmatig omdat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in deze hele te toetsen periode heeft ontbroken. Anders dan door eiser is gesteld, kan de rechtbank geen schadevergoeding toekennen voor de periode dat de maatregel ten uitvoer is gelegd tussen 16 september 2025 en 9 oktober 2025. De Afdeling heeft immers geoordeeld dat de maatregel in deze periode rechtmatig is geweest.
34. De rechtbank zal eiser in aanmerking brengen voor schadevergoeding met ingang van 10 oktober 2025 tot en met heden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een hoger bedrag toe te kennen dan het bedrag dat doorgaans als een redelijke vergoeding voor ondergane onrechtmatige bewaring wordt beschouwd. De rechtbank bepaalt de hoogte van de schadevergoeding op € 2.000,-.
35. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,-, waarbij de rechtbank opmerkt dat het Besluit geen ruimte biedt om extra werkzaamheden die door gemachtigde zijn verricht om verweerder te bewegen een volledig dossier te overleggen te betrekken bij de proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel;
- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.000,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 30 oktober 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C.B.X., C‑704/20 en C‑39/21, EU:C:2022:858, punt 72.
2.Arrest van het Hof van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura, C tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C‑387/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:868, punt 41.
3.Arrest van het Hof van 4 september 2025 in de zaak Adrar, GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647, punt 47.