In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eiseres behandeld dat is ingediend na een eerdere uitspraak van de rechtbank Arnhem op 15 april 2025. In die uitspraak werd de minister van Asiel en Migratie opgedragen om binnen vier weken te beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis asiel. Eiseres heeft echter geconstateerd dat de minister binnen deze termijn geen beslissing heeft genomen, wat aanleiding geeft tot het indienen van een beroep.
De rechtbank oordeelt dat het niet nodig is om partijen uit te nodigen voor een zitting. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van griffierecht, wat door de rechtbank wordt toegewezen. De rechtbank wijst ook het verzoek van de minister af om het beroep aan te houden, omdat de aard van het beroep zich daartegen verzet. De rechtbank stelt vast dat eiseres het beroep heeft ingesteld op 21 juli 2025, terwijl de rechterlijke dwangsom nog niet was volgelopen. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk is.
De rechtbank concludeert dat de minister niet binnen de gestelde termijn een besluit heeft genomen op de aanvraag, waardoor het beroep gegrond is. De rechtbank geeft de minister een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt er een dwangsom van € 250,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-. Eiseres krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten, vastgesteld op € 453,50, omdat zij juridische bijstand heeft ingeschakeld voor het indienen van het beroepschrift.