ECLI:NL:RBDHA:2025:19847

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.28946 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring van verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroep niet tijdig beslissen asielaanvraag Syrië

Opposant heeft op 16 september 2023 asiel aangevraagd en een beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 zonder zitting niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur was, vanwege een geldend beslismoratorium voor Syrië dat de beslistermijn verlengde.

Opposant maakte bezwaar tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en stelde dat de rechtbank ten onrechte uitging van een verlenging van 21 maanden in plaats van 18 maanden, waardoor zijn ingebrekestelling niet prematuur zou zijn geweest. De rechtbank oordeelt echter dat zij niet heeft overwogen dat de verlenging 21 maanden bedroeg, maar dat dit de maximale beslistermijn betreft.

De rechtbank legt uit dat in de zaak van opposant de beslistermijn minder dan een jaar is verlengd, passend binnen de maximale termijn van 21 maanden, omdat het beslismoratorium voor Syrië later inging. De verwijzingen van opposant naar andere uitspraken zijn niet doorslaggevend, omdat die uitgaan van een verlenging van twaalf maanden die leidt tot een beslistermijn van achttien maanden.

De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is en bevestigt de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet tijdig beslissen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28946 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant [1]
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Hanna),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 september 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 september 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de eerdere uitspraak van 15 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Opposant heeft op 16 september 2023 asiel aangevraagd. Hij vindt dat de minister te lang doet over het nemen van een beslissing op zijn aanvraag. Opposant heeft daarom een beroep ingediend tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag.
De uitspraak van 15 september 2025
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant te vroeg (prematuur) een ingebrekestelling heeft gestuurd naar de minister. Dit heeft te maken met het feit dat er voor Syrië (het land waar opposant vandaan komt) een besluit- en vertrekmoratorium gold waardoor de oorspronkelijke beslistermijn is verlengd. Omdat op basis van een premature ingebrekestelling geen beroep kan worden ingediend wegens niet tijdig beslissen, heeft de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De verzetsgronden van opposant

6. Opposant heeft verzet gedaan, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van
15 september 2025. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de beslistermijn met 21 maanden is verlengd. Opposant wijst op andere zittingsplaatsen van deze rechtbank die een beslistermijn van achttien maanden aanhouden. [3] De rechtbank had in het geval van opposant ook uit moeten gaan van een verlenging van achttien maanden. In dat geval is de ingebrekestelling niet prematuur.
Het oordeel van de rechtbank
7. De verzetsgrond slaagt niet. In de uitspraak van 15 september 2025 heeft de rechtbank niet overwogen dat de beslistermijn met 21 maanden is verlengd. De rechtbank heeft alleen maar overwogen dat de beslistermijn verlengd is met een jaar
tot ten hoogste21 maanden. [4] De 21 maanden ziet hier dus niet op de verlenging, maar op de maximale beslistermijn. In de zaak van opposant is de beslistermijn juist met mínder dan een jaar verlengd, omdat anders de maximale beslistermijn van 21 maanden zou worden overschreden.
7.1.
De verwijzing naar de twee uitspraken leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft afgezien van een zitting. In die uitspraken wordt niet uitgegaan van een
verlenging [5] van achttien maanden, maar van een verlenging van twaalf maanden (die uiteindelijk leidt tot een beslistermijn van achttien maanden). Deze verlenging volgt direct uit het beslismoratorium, tenzij de maximale beslistermijn van 21 maanden ervoor zorgt dat de verlenging van twaalf maanden moet worden verkort. Dit laatste is in de zaak van opposant het geval, nu de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden werd gevolgd door een aantal maanden waarin het beslismoratorium voor Syrië nog niet gold.

Conclusie en gevolgen

8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding te oordelen dat in de eerdere uitspraak van 15 september 2025 het beroep van opposant ten onrechte zonder zitting kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de eerdere uitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.De uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaatsen Amsterdam (11 september 2025, zaaknummer NL25.28815) en Rotterdam (15 september 2025, zaaknummers NL24.25820 en NL25.28800)
4.Cursivering door de rechtbank.
5.Cursivering door de rechtbank.