Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden om hun handhavingsverzoek af te wijzen. Het verzoek betrof de wijziging van een achterdeur naar een voordeur in een pand, waardoor volgens eisers onvergunde kamerverhuur zou plaatsvinden en het gebruik van een achterpad intensiever werd, wat hun eigendomsrechten en privacy zou schenden.
De rechtbank oordeelt dat met de nieuwe Huisvestingsverordening Leiden 2024 het pand buiten het vergunningplichtige gebied valt, waardoor voor kamerverhuur geen vergunning meer nodig is en eisers geen procesbelang meer hebben voor dat onderdeel van het beroep. De overige beroepsgronden worden inhoudelijk beoordeeld.
De rechtbank stelt vast dat het college terecht heeft geoordeeld dat er geen overtreding is die handhaving vereist. Het bestemmingsplan staat het gebruik van de achterdeur als voordeur toe, de brandveiligheid is gecontroleerd en in orde bevonden, en de civielrechtelijke kwestie over het gebruik van het achterpad valt buiten het bestuursrechtelijke domein. Er is geen schending van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel. Het beroep wordt ongegrond verklaard.