ECLI:NL:RBDHA:2025:19814
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake verblijfsdocument EU/EER
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen bij besluit van 9 september 2024. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard bij besluit van 21 november 2024. Vervolgens stelde verzoeker beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft zonder zitting uitspraak gedaan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In de hoofdzaak met zaaknummer NL24.46577 is reeds een beslissing genomen, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 28 oktober 2025 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.