ECLI:NL:RBDHA:2025:19807

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 september 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
NL24.51135
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minister in proceskosten wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag

Belanghebbende diende op 6 januari 2023 een asielaanvraag in bij de minister van Asiel en Migratie. De minister besloot niet tijdig op deze aanvraag, waarna belanghebbende op 2 augustus 2024 een ingebrekestelling stuurde en op 20 december 2024 beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen. De minister stelde dat de ingebrekestelling prematuur was en het beroep daarom niet-ontvankelijk.

De rechtbank oordeelde echter dat de minister uiterlijk op 6 juli 2023 had moeten beslissen, waardoor de ingebrekestelling van 2 augustus 2024 geldig was. Het beroep was daarmee ontvankelijk en gegrond, aangezien de minister alsnog op 27 februari 2025 de asielaanvraag honoreerde.

De rechtbank veroordeelde de minister daarom in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 680,25, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt op 2 september 2025.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.51135
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende], belanghebbende

(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag. [1]
1.1
Verweerder heeft gereageerd op het verzoek.
1.2
De asielaanvraag is op 27 februari 2025 ingewilligd. Vervolgens heeft belanghebbende haar beroep ingetrokken en verzocht om een veroordeling van verweerder in de proceskosten.
1.3
De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank moet beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen. [3]
3. Belanghebbende heeft op 6 januari 2023 een asielaanvraag ingediend bij verweerder. Op 2 augustus 2024 heeft belanghebbende verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Belanghebbende heeft vervolgens op 20 december 2024 beroep ingesteld. Verweerder heeft de aanvraag van 6 januari 2023 (alsnog) ingewilligd.
4. Verweerder stelt in zijn brief van 19 maart 2025 dat de ingebrekestelling van 2 augustus 2024 prematuur is ingediend waardoor het beroep niet-ontvankelijk is. Volgens verweerder dient het verzoek om een veroordeling in de proceskosten te worden afgewezen.
4.1
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet. Gelet op de uitspraak van 24 januari 2024 [4] is de rechtbank van oordeel dat verweerder uiterlijk op 6 juli 2023 een beslissing op de asielaanvraag van 6 januari 2023 had moeten nemen. Verweerder heeft dit nagelaten. De ingebrekestelling van belanghebbende van 2 augustus 2024 is dan ook geldig. Na de ingebrekestelling zijn vervolgens meer dan twee weken verstreken voordat belanghebbende op 20 december 2024 beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag. Het beroep is daarom wel terecht ingesteld en dus ontvankelijk.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het nemen van het besluit op de asielaanvraag is tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 680,25 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van een reactie op het verweerschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 680,25.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Özçelik, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57 van Pro de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb.