ECLI:NL:RBDHA:2025:19798
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens niet-ontvankelijkheid
Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen met de reden dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechter constateerde dat op het beroep dat aan het verzoek ten grondslag ligt, reeds op 23 oktober 2025 is beslist in een andere zaak met een verwant zaaknummer.
Omdat de hoofdzaak reeds is afgedaan, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk en wees het verzoek af als kennelijk ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat op het onderliggende beroep reeds is beslist.