De minister van Asiel en Migratie legde op 18 augustus 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de maatregel op 17 september 2025, maar erkende dat de omzetting van de bewaring niet binnen de vereiste 48 uur na het afwijzen van de asielaanvraag op 7 september 2025 had plaatsgevonden.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de voortzetting van de maatregel vanaf het sluiten van het onderzoek waarop een eerdere uitspraak van 1 september 2025 betrekking had. Uit jurisprudentie volgt dat de maatregel binnen 48 uur na het einde van het rechtmatig verblijf omgezet moet worden. De rechtbank stelde vast dat eiser tot 14 september 2025 rechtmatig verblijf genoot en dat de minister uiterlijk op 16 september 2025 de bewaring had moeten omzetten.
De minister heeft dit niet gedaan en zette de maatregel pas op 17 september 2025 om, waardoor de bewaring 1 dag onrechtmatig voortduurde. De rechtbank kende daarom een schadevergoeding toe van €100,- voor die dag en veroordeelde de minister tevens tot betaling van de proceskosten van €1.814,-. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.