Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:19649

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
27 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.47234
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 106 VwBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens te late omzetting maatregel bewaring en toekenning schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 18 augustus 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de maatregel op 17 september 2025, maar erkende dat de omzetting van de bewaring niet binnen de vereiste 48 uur na het afwijzen van de asielaanvraag op 7 september 2025 had plaatsgevonden.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de voortzetting van de maatregel vanaf het sluiten van het onderzoek waarop een eerdere uitspraak van 1 september 2025 betrekking had. Uit jurisprudentie volgt dat de maatregel binnen 48 uur na het einde van het rechtmatig verblijf omgezet moet worden. De rechtbank stelde vast dat eiser tot 14 september 2025 rechtmatig verblijf genoot en dat de minister uiterlijk op 16 september 2025 de bewaring had moeten omzetten.

De minister heeft dit niet gedaan en zette de maatregel pas op 17 september 2025 om, waardoor de bewaring 1 dag onrechtmatig voortduurde. De rechtbank kende daarom een schadevergoeding toe van €100,- voor die dag en veroordeelde de minister tevens tot betaling van de proceskosten van €1.814,-. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van €100,- schadevergoeding en €1.814,- proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.47234
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

De minister heeft op 18 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft op 17 september 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Khairi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1992] .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 1 september 2025 (in de zaak NL25.39072) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
5. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring van 18 augustus 2025 te laat is omgezet. Eiser heeft op 7 september 2025 een afwijzende beschikking op zijn asielaanvraag ontvangen. In die afwijzende beschikking staat dat zowel een beroep als verzoek om voorlopige voorziening niet in Nederland mag worden afgewacht. Om die reden had eiser vanaf 7 september 2025 niet langer rechtmatig verblijf. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de minister de maatregel van bewaring gerekend vanaf 7 september 2025 binnen 48 uur had moeten omzetten. De maatregel van bewaring is echter pas op 17 september 2025 omgezet, zodat de bewaring 10 dagen onrechtmatig heeft voortgeduurd. Eiser verzoekt om schadevergoeding.
6. De minister erkent dat de maatregel van bewaring niet tijdig - namelijk binnen 48 uur - is omgezet en is bereid om voor 1 dag schadevergoeding aan eiser te betalen. Ook is de minister bereid om de proceskosten tot een bedrag van een punt (€ 907,-) te vergoeden.
7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de maatregel van 18 augustus 2025 te laat is omgezet en dus onrechtmatig is geworden. Wel verschillen partijen van mening over de vraag vanaf welke datum de maatregel van bewaring onrechtmatig is geworden.
8. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het dossier volgt dat eisers asielaanvraag met het besluit van 7 september 2025 als kennelijk ongegrond is afgewezen. Gedurende de beroepstermijn van 1 week had eiser nog rechtmatig verblijf als asielzoeker in Nederland. Om die reden had de minister vanaf 14 september 2025, 48 uur de tijd om de maatregel van bewaring om te zetten, dus uiterlijk op 16 september 2025. Deze termijn heeft de minister niet gehaald nu hij de bewaring pas op 17 september 2025 heeft omgezet.
9. Het beroep is daarom gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 17 september 2025 onrechtmatig.
10. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 1 dag onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel, van 1
x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 100,-.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 100,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 oktober 2025

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.