ECLI:NL:RBDHA:2025:19439
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting grensdetentie en toekenning schadevergoeding
Eiser, van Ugandese nationaliteit, werd op 7 juli 2025 onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel in de vorm van grensdetentie. De minister hief deze maatregel op 25 juli 2025 na indiening van een zienswijze door eiser. De rechtbank beoordeelde of de voortzetting van de grensdetentie voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat het verblijf van eiser in de internationale lounge van Schiphol voor één nacht rechtmatig was. Ook het betoog dat de minister onvoldoende had bevraagd over lichtere maatregelen werd verworpen vanwege het zwaarwegende grensbewakingsbelang. Echter, de rechtbank stelde vast dat de minister reeds op 20 juli 2025 redelijkerwijs had moeten weten dat de zaak zich niet langer leende voor de grensprocedure, waardoor de voortzetting van de grensdetentie vanaf die datum onrechtmatig was.
De rechtbank verwees naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en benadrukte dat in deze specifieke situatie de bewaringsrechter wel inhoudelijk mocht toetsen aan de rechtmatigheid van de bewaring. Gelet hierop werd het beroep gegrond verklaard en werd een schadevergoeding van €500,- toegekend voor zes dagen onrechtmatige detentie, evenals een proceskostenvergoeding van €1.814,-.
De uitspraak werd op 5 augustus 2025 mondeling gedaan door rechter R.H.G. Odink te Amsterdam en op 11 augustus 2025 bekendgemaakt. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent een schadevergoeding van €500,- toe wegens onrechtmatige voortzetting van grensdetentie.