Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.Het wrakingsverzoek
3.De beoordeling
4.De beslissing
20 oktober 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid, naar aanleiding van de afwijzing van zijn verzoek tot aanhouding van een zitting in een kortgedingprocedure. Verzoeker stelde dat hij door overmacht niet aanwezig kon zijn en dat de kantonrechter hierdoor zijn belangen onevenredig had geschaad, waarbij ook de beginselen van equality of arms, tegenspraak en partijautonomie zouden zijn geschonden.
De wrakingskamer oordeelt dat de afwijzing van een verzoek tot aanhouding een procedurele beslissing is die in beginsel geen grond voor wraking vormt, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid opleveren. Verzoeker heeft geen dergelijke uitzonderingssituatie aangetoond. Ook het feit dat verzoeker grotendeels in het buitenland verblijft en niet digitaal heeft deelgenomen aan de zitting, leidt niet tot een ander oordeel.
Voorts is de kantonrechter niet vooringenomen geacht vanwege vermeende overslaan van ontvankelijkheidsvragen; deze zullen bij vonnis worden behandeld. De wrakingskamer betrekt ook geen andere vermeende vooringenomenheid uit een gerelateerde procedure, omdat deze niet concreet is onderbouwd en niet ter beoordeling staat.
De wrakingskamer wijst het verzoek af, beveelt voortzetting van de procedure in de hoofdzaak en bepaalt dat deze beslissing aan alle betrokken partijen wordt toegezonden. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen en de procedure wordt voortgezet.