Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Overwegingen
Ambtshalve toetsing
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een EU-burger van Litouwse nationaliteit, werd op 4 september 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 15 september 2025 werd het onderzoek geschorst omdat eiser in het ziekenhuis lag. Op 17 september 2025 werd de bewaring opgeheven en een nieuwe maatregel opgelegd vanwege een nieuwe asielaanvraag.
De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing. De minister had als zware gronden genoemd dat eiser mogelijk toezicht zou ontlopen en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Eiser betwistte deze gronden niet, waardoor de rechtbank oordeelde dat de maatregel kon worden gedragen.
Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld, omdat het vertrekgesprek pas zes dagen na inbewaringstelling plaatsvond en hij binnen een week uitgezet had moeten worden. De rechtbank vond dit niet onredelijk, mede omdat eiser tijdens het vertrekgesprek aangaf uit Letland te komen, wat nader onderzoek vereiste. De minister diende vervolgens snel een aanvraag voor een laisser-passez in bij Litouwse autoriteiten. De asielaanvraag van eiser op 17 september 2025 leidde tot opschorting van de uitzetting.
De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld en dat de maatregel tot het moment van opheffing niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.