ECLI:NL:RBDHA:2025:19083
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting en weigering verblijfsdocument EU/EER
Verzoeker, een Marokkaanse nationaliteit dragende man, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van afgeleid verblijfsrecht via zijn ongeboren Nederlandse kind. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen wegens vermeend misbruik van recht en fraude, omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij ouder is van het ongeboren kind en omdat een ongeboren kind geen zelfstandig verblijfsrecht kan hebben.
Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit en tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting naar Marokko. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitzetting te voorkomen. De voorzieningenrechter oordeelde dat bezwaar tegen feitelijke uitzetting niet zelfstandig kan worden gemaakt zolang rechtsmiddelen tegen het onderliggende besluit openstaan en dat het bezwaar als aanvulling op het bezwaar tegen het besluit moet worden beschouwd.
De voorzieningenrechter stelde vast dat een ouder van een nog ongeboren kind geen afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 VWEU Pro, omdat het ongeboren kind zich niet zelfstandig kan verplaatsen. Hierdoor voldeed verzoeker niet aan de voorwaarden voor het verblijfsrecht en had het bezwaar geen redelijke kans van slagen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter F.A. Groeneveld en griffier B. Tijssen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting en weigering van het verblijfsdocument EU/EER wordt afgewezen.