ECLI:NL:RBDHA:2025:19077
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende gegronde vrees vervolging en geen recht op regulier verblijf
Eiser, een Turkse staatsburger geboren in 2007, vroeg asiel aan in Nederland vanwege vermeende vervolging door de Turkse autoriteiten, gerelateerd aan het lidmaatschap van zijn vader bij de HDP en zijn eigen Koerdische achtergrond. Hij vreesde ook de militaire dienstplicht en discriminatie.
De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was dat eiser negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten zou krijgen of een gegronde vrees voor vervolging had. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat de huiszoekingen in het verleden geen directe dreiging voor eiser opleverden en dat hij sinds 2019/2020 geen problemen had ondervonden. Ook de vrees voor militaire dienstplicht werd niet gegrond geacht, mede omdat eiser nog niet de dienstplichtige leeftijd van 20 jaar had bereikt en het afkopen van de dienstplicht mogelijk is.
Verder oordeelde de rechtbank dat eiser geen recht had op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro, omdat hij geen hechte familie- of gezinsbanden in Nederland kon aantonen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bleef van kracht.
De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van het vonnis.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.