In deze uitspraak oordeelt de Rechtbank Den Haag over de asielaanvragen van een Colombiaanse familie bestaande uit een moeder, vader en dochter. De moeder heeft op 25 november 2023 asiel aangevraagd, gevolgd door de vader en dochter op 24 april 2024. De aanvragen zijn afgewezen door de minister van Asiel en Migratie op 19 maart 2025, omdat de asielmotieven niet geloofwaardig werden geacht. De rechtbank heeft de beroepen van de eisers op 26 september 2025 behandeld. De moeder vreesde voor problemen met een gewapende paramilitaire groep in Colombia, die haar had bedreigd vanwege een procedure tot restitutie van onteigend land. De rechtbank oordeelt dat de asielmotieven van de moeder, vader en dochter niet voldoende onderbouwd zijn en dat de verklaringen inconsistent en vaag zijn. De rechtbank concludeert dat er geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Colombia is aangetoond. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de terugkeerbesluiten naar Colombia.