ECLI:NL:RBDHA:2025:18895
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard beroep tegen inreisverbod wegens ontbreken beschermenswaardig familieleven
Eiser, met de Angolese nationaliteit, kreeg op 22 juni 2024 een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie, omdat hij Nederland en de EU onmiddellijk moest verlaten op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser stelde dat het inreisverbod zijn recht op familieleven volgens artikel 8 EVRM Pro schendt, omdat hij zijn ouders en broers in Nederland niet kan bezoeken. De rechtbank onderzocht de feiten aan de hand van het proces-verbaal van gehoor en concludeerde dat eiser slechts sporadisch telefonisch contact heeft met zijn moeder en geen contact met zijn broers, en dat dit contact ook vanuit Angola mogelijk is.
De rechtbank vond geen bewijs voor een beschermenswaardig familieleven dat het inreisverbod zou moeten verhinderen. De tegenstrijdige stellingen van eiser werden niet onderbouwd, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een beschermenswaardig familieleven.