ECLI:NL:RBDHA:2025:18764
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na gegrondverklaring beroep
Verzoekster, van Iraanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 5 maart 2025 in de verlengde procedure af als kennelijk ongegrond. Verzoekster stelde beroep in tegen deze beslissing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 24 september 2025 in zitting, waarbij zowel de gemachtigde van verzoekster als die van de minister aanwezig waren. Op de dag van de uitspraak werd in een gerelateerde zaak het beroep gegrond verklaard, waarbij de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten werden gehandhaafd.
Gezien deze gegrondverklaring achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af. Tevens veroordeelde de voorzieningenrechter de minister tot betaling van proceskosten van €907,- voor de rechtsbijstand verleend door een derde partij.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €907,-.