Op 9 oktober 2025 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen en medeplichtigheid aan de voorbereiding van brandstichting. De tenlastelegging betrof het vervoeren van medeverdachten die betrokken waren bij voorbereidingen met benzine, lucifers en graffiti.
Tijdens de terechtzitting van 25 september 2025 heeft de rechtbank het bewijs onderzocht, waaronder chatberichten waarin een opdracht werd gedeeld om graffiti te spuiten en benzine aan te steken. Verdachte stemde in om als chauffeur te fungeren tegen een vergoeding. Uit het dossier bleek echter onvoldoende bewijs dat verdachte op de hoogte was van het daadwerkelijke plan tot brandstichting of dat hij opzet had op het plegen van het misdrijf.
De rechtbank oordeelde dat het primair tenlastegelegde feit van medeplegen niet wettig en overtuigend was bewezen. Ook subsidiair werd vrijspraak uitgesproken wegens ontbreken van opzet op het grondfeit, ondanks dat verdachte wist dat hij medeverdachten vervoerde. De verzoeken tot nader onderzoek en het horen van getuigen werden niet behandeld vanwege de integrale vrijspraak.