ECLI:NL:RBDHA:2025:186
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
De minister heeft op 15 oktober 2024 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die sinds 16 mei 2024 onafgebroken in bewaring zit. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft beoordeeld of de voortzetting van de bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 25 oktober 2024 tot de zitting op 3 januari 2025. Uit de voortgangsrapportage en het besluit van 9 november 2024 blijkt dat de minister een kenbare en deugdelijke verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt. Het feit dat dit besluit pas op de dag van de zitting aan het dossier is toegevoegd, doet hieraan niet af.
Eiser voerde aan dat hij medische zorg nodig heeft en dat hij niet meewerkt aan zijn uitzetting, maar de rechtbank oordeelt dat de medische dienst heeft vastgesteld dat een operatie niet noodzakelijk is en dat eiser met het indienen van een asielaanvraag zijn terugkeer heeft gefrustreerd. De lopende beroepsprocedure over de afgewezen asielaanvraag en de verwachting van een uitspraak binnen afzienbare tijd rechtvaardigen het voortduren van de bewaring.
De rechtbank ziet geen nieuwe omstandigheden die het voortduren van de maatregel onrechtmatig maken en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.