ECLI:NL:RBDHA:2025:18541
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke zaak
De rechtbank Den Haag behandelde op 30 september 2025 het beroep van eiseres tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister had de bewaring op 29 september 2025 opgeheven. De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of eiseres recht had op schadevergoeding.
Eiseres stelde dat zij haar verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief had beëindigd door terug te keren naar Polen, waardoor zij als Unieburger opnieuw rechtmatig verblijf had. De rechtbank oordeelde dat eiseres deze stelling onvoldoende aannemelijk had gemaakt en dat de minister haar daarom terecht in bewaring had gesteld. Daarnaast voerde eiseres aan dat de bewaring in strijd was met artikel 8 EVRM Pro vanwege haar relatie met een partner in Nederland. De rechtbank vond dat een beroep op artikel 8 EVRM Pro in een verblijfsrechtelijke procedure thuishoort en dat eiseres onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van een beschermenswaardig familieleven.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring rechtmatig was en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.