De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor de wijziging van de verblijfplaats van haar minderjarige kind naar haar woonplaats. Het kind verblijft sinds november 2021 met instemming van de moeder bij de pleegouders, haar zus en zwager, in het vrijwillige kader. Een perspectiefonderzoek adviseerde terugplaatsing naar de moeder, maar de pleegouders maakten gebruik van hun blokkaderecht.
Echter, sinds juni 2025 is het kind onder toezicht gesteld en is er een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, waarmee het vrijwillige kader is verlaten en een gedwongen justitieel kader van kracht is. De rechtbank overweegt dat artikel 1:253s BW alleen ziet op situaties binnen het vrijwillige kader en niet op gedwongen ondertoezichtstellingen.
Daarom ontbreekt de wettelijke grondslag voor het verzoek van de moeder. De rechtbank verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot vervangende toestemming voor wijziging van de verblijfplaats van het kind. De beslissing is mondeling gegeven op 11 september 2025 door rechter kinderrechter O.F. Bouwman.