ECLI:NL:RBDHA:2025:184
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduring maatregel bewaring vreemdeling na eerdere rechtmatigheid
De minister van Asiel en Migratie legde op 27 juni 2024 een maatregel van bewaring op aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit. Eiser stelde beroep in tegen de voortzetting van deze bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had reeds in een eerdere uitspraak van 13 november 2024 geoordeeld dat de bewaring tot dat moment rechtmatig was.
De beoordeling in deze zaak betrof de periode van 8 november tot en met 27 december 2024, waarin eiser aanvoerde dat de voortzetting onrechtmatig was vanwege vermeende onvoldoende voortvarendheid van de minister en gebrek aan zicht op uitzetting. De rechtbank oordeelde dat de minister gedurende deze periode wel degelijk voortvarend had gehandeld, met meerdere vertrekgesprekken, bevestiging van nationaliteit door Algerijnse autoriteiten, en het boeken van een vlucht op 27 december 2024.
Verder stelde de rechtbank dat het gebruik van detentie als ultimum remedium gerechtvaardigd was gezien het risico van ontduiking door eiser, die geen paspoort of vaste verblijfplaats had en zich eerder aan toezicht had onttrokken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.