De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van een jongmeerderjarige om het vaderschap van de juridische vader te ontkennen en het ouderschap van de vermeende biologische vader vast te stellen. De juridische vader erkende het kind kort voor het huwelijk met de moeder, maar is niet de biologische vader. De moeder en de vermeende vader stemden in met het verzoek.
De rechtbank oordeelde dat zij rechtsmacht heeft en dat Nederlands recht van toepassing is. Het verzoek tot ontkenning van het vaderschap werd gegrond verklaard omdat vaststond dat de juridische vader niet de biologische vader is. De vermeende vader en moeder gaven aan de voorkeur te geven aan een vrijwillige erkenning van het ouderschap. Daarom werd het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap aangehouden voor zes maanden.
De bijzondere curator, die de jongmeerderjarige vertegenwoordigde, wordt ontslagen zodra het verzoek tot vaststelling wordt ingetrokken, afgewezen of toegewezen. De rechtbank benadrukte dat het kind bij een eventuele erkenning aanwezig moet zijn vanwege de naamskeuze. De beschikking is uitgesproken op 30 september 2025.