ECLI:NL:RBDHA:2025:18341
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Officier van justitie niet-ontvankelijk in vordering ontneming na vrijspraak betrokkene
De rechtbank Den Haag behandelde op 22 september 2025 de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van €17.687,13 van betrokkene. Deze vordering volgde op een strafzaak waarin betrokkene werd verdacht van een strafbaar feit. Tijdens de terechtzittingen op 24 juni 2024 en 22 september 2025 vond een schriftelijke voorbereiding plaats met conclusiewisselingen tussen de officier van justitie en de raadsman van betrokkene.
Betrokkene werd op 7 augustus 2025 door het gerechtshof Den Haag onherroepelijk vrijgesproken in de strafzaak. Gezien deze vrijspraak ontbrak de juridische grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank nam kennis van het standpunt van de officier van justitie, maar betrokkene en zijn raadsman waren niet aanwezig bij de inhoudelijke zitting.
De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en wees het vonnis uit op 22 september 2025. Hiermee werd de vordering afgewezen vanwege het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling die als basis voor ontneming kan dienen.
Uitkomst: Officier van justitie is niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming wegens vrijspraak betrokkene.