De rechtbank Den Haag behandelde op 23 september 2025 een verzoek tot ontkenning van het vaderschap van een man over een minderjarige geboren in 2021. De moeder diende het verzoek in, maar dit was niet tijdig binnen een jaar na geboorte ingediend, waardoor zij niet-ontvankelijk werd verklaard. De bijzondere curator, benoemd om de belangen van de minderjarige te behartigen, verzocht eveneens om ontkenning van het vaderschap.
De man en de moeder waren gehuwd ten tijde van de geboorte, waardoor de man juridisch vader was. De moeder en de man hadden echter geen gemeenschappelijke nationaliteit of verblijfplaats, waardoor Nederlands recht van toepassing was. De moeder verklaarde met zekerheid dat de man niet de biologische vader was; de biologische vader was een andere heer die zij in Nederland had ontmoet.
De man was niet verschenen op de zitting en had geen verweer gevoerd. De rechtbank vond de verklaringen van de moeder en de biologische vader betrouwbaar en concludeerde dat de man niet de biologische vader was. Daarom werd het verzoek van de bijzondere curator tot ontkenning van het vaderschap toegewezen. De werkzaamheden van de bijzondere curator werden hiermee beëindigd. Het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad werd afgewezen.