ECLI:NL:RBDHA:2025:18234

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
3 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.43048 NL25.44210
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitHvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen inreisverbod en maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar, alsmede een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser voerde aan dat het inreisverbod ten onrechte was opgelegd en dat zijn strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig was.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit rechtsgeldig is en dat het inreisverbod terecht is opgelegd omdat eiser niet binnen de gestelde termijn vrijwillig vertrok. De aangevoerde onrechtmatigheid van de strafrechtelijke aanhouding werd niet gevolgd, aangezien de bestuursrechter het strafrechtelijke voortraject niet toetst.

De rechtbank stelde vast dat de gronden voor de maatregel van bewaring voldoende en feitelijk juist zijn toegelicht en dat er een significant risico op onttrekking bestaat. Ook de ambtshalve toets leverde geen onrechtmatigheid op.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep tegen zowel het inreisverbod als de maatregel van bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod en de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43048 en NL25.44210

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. Gürses),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. C.S. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod is geregistreerd onder nummer NL25.44210.
Het beroep tegen de maatregel onder nummer NL25.43048. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
Over bestreden besluit 1 (inreisverbod)
Vertaling terugkeerbesluit
2. Eiser voert aan dat het inreisverbod ten onrechte is opgelegd, omdat eiser niet wist dat hij het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland had moeten verlaten. Uit het dossier blijkt niet dat het terugkeerbesluit van 13 december 2023 in bijzijn van een tolk of in een voor eiser begrijpelijke taal aan eiser is uitgereikt.
3. De rechtbank is van oordeel dat indien eiser van mening is dat er een gebrek kleeft aan de wijze waarop het terugkeerbesluit aan hem is uitgereikt, eiser dit in een procedure tegen het terugkeerbesluit had moeten aanvoeren. De rechtbank stelt vast eiser geen rechtsmiddel tegen het terugkeerbesluit van 12 december 2023 heeft aangewend en dat het terugkeerbesluit dan ook in rechte vaststaat. De beroepsgrond slaagt niet.
Actueel gevaar voor de openbare orde
4. Eiser voert aan dat niet aan de voorwaarden voor het opleggen van een inreisverbod is voldaan, omdat eiser geen actueel gevaar vormt voor de openbare orde.
5. De rechtbank overweegt dat het voor het opleggen van een inreisverbod voor een periode van ten hoogste twee jaar geen voorwaarde is dat eiser een actueel gevaar vormt voor de openbare orde. Volgens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is de minister verplicht om een inreisverbod uit te vaardigen tegen een vreemdeling die Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor gestelde termijn heeft verlaten. Eiser heeft zich niet aan het terugkeerbesluit van 12 december 2023 gehouden. Aan de voorwaarden voor het opleggen van een inreisverbod is dan ook voldaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Over bestreden besluit 2 (de maatregel van bewaring)

Binnentreden
6. Eiser voert aan dat zijn strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig is geweest. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat de woning waarin eiser zich bevond is binnengetreden zonder toestemming. Van een machtiging tot binnentreden is evenmin gebleken. Dit gebrek in het voortraject moet er volgens eiser toe leiden dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
7. De rechtbank volgt eiser niet. Hiertoe geldt dat de bewaringsrechter niet bevoegd is om het strafrechtelijk voortraject te toetsen. Van een doorwerking van eventuele onrechtmatigheden in het strafrechtelijk traject naar het vreemdelingrechtelijke voortraject kan geen sprake zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

8. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en
nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een significant risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
Ambtshalve toets
10. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.1
Conclusie
11. Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond.
12. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Zie HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 september 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.