Eiser, van Pakistaanse nationaliteit, werd op 26 augustus 2025 een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de digitale handtekening niet verifieerbaar was, maar de rechtbank bevestigde de geldigheid daarvan.
Eiser voerde aan dat zijn ophouding onterecht was gebaseerd op artikel 50, derde lid, van de Vw, terwijl hij rechtmatig verblijf had als Dublinclaimant en daarom op grond van artikel 50a, eerste lid, had moeten worden opgehouden. De rechtbank oordeelde dat eiser inderdaad op een onjuiste grondslag was opgehouden, maar dat dit gebrek van geringe aard was en niet leidde tot onrechtmatigheid van de maatregel.
De minister stelde dat er sprake was van een significant risico op onderduiken, wat door de rechtbank werd bevestigd op basis van zware gronden 3a en 3k. Eiser betwistte enkele gronden, maar de rechtbank vond de motivering voldoende. Ook het beroep op toepassing van een lichter middel werd afgewezen omdat de minister aannemelijk had gemaakt dat een lichter middel niet effectief zou zijn.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister werd veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.814,00.