Eiser, een Pakistaanse Ahmadi-moslim, diende op 27 juli 2023 een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 9 oktober 2024 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 21 augustus 2025. Eiser stelde dat hij in Pakistan vervolgd wordt vanwege zijn geloof, onder meer na een valse aangifte en een fysieke aanval, waarna hij ondergedoken zat en het land verliet.
Verweerder erkende de identiteit en het geloof van eiser, maar achtte het tweede asielmotief, de vrees voor vervolging vanwege zijn geloof, ongeloofwaardig en vond dat eiser bij terugkeer geen reëel risico liep op ernstige schade. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar hoe eiser zijn geloof bij terugkeer zou willen belijden en waarom dit belangrijk voor hem is.
De rechtbank stelde vast dat eiser tijdens het nader gehoor niet is gevraagd naar zijn toekomstige geloofsuitoefening in Pakistan en dat verweerder ten onrechte aannam dat eiser zijn geloof probleemloos kan hervatten. Gezien de verslechterde situatie voor Ahmadi’s en het belang van geloofsuitingen zoals het verspreiden van flyers, had verweerder nader onderzoek moeten doen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen vier weken opnieuw te horen en binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.