De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige met diabetes en een machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden. De minderjarige verblijft momenteel in een pleeggezin. De moeder kan niet adequaat voldoen aan de zorgbehoefte vanwege conflicten en een verstoorde relatie met de minderjarige, die een onveilig hechtingspatroon vertoont. De vader verblijft grotendeels in het buitenland en kan onvoldoende zorg bieden.
Tijdens de zitting heeft de kinderrechter met gesloten deuren gesproken met de minderjarige, die haar standpunt heeft kenbaar gemaakt. De moeder erkent spanningen en staat open voor hulpverlening, terwijl de vader een plaatsing bij hem prefereert vanwege betere zorgmogelijkheden. De gecertificeerde instelling benadrukt de noodzaak van gespecialiseerde hulp gericht op diabetes en gezinsgerichte ondersteuning.
De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan vanwege een acuut en ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor een korte periode om de hulpverlening goed te organiseren. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De minderjarige moet zo snel mogelijk veilig terugkeren naar de moeder, mits de juiste hulpverlening is ingeschakeld.