AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursrechtelijke vernietiging besluit weigering compensatie kinderopvangtoeslag 2012-2014
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de weigering van compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2014 in het kader van de toeslagenaffaire. De Dienst Toeslagen had compensatie geweigerd omdat zij meende dat eiseres evident geen recht had op kinderopvangtoeslag vanwege ernstige onregelmatigheden, waaronder fraude met opvang via gastouderbureaus.
De rechtbank oordeelt dat de bevindingen van het FIOD-onderzoek naar gastouderbureau [gastouderbureau 2] voor 2013 en 2014 ten onrechte zijn geëxtrapoleerd naar 2012 en dat verweerder een verkeerde toets heeft toegepast door aannemelijk achten in plaats van beoordelen op ernstige onregelmatigheden. Verder is onvoldoende bewijs geleverd dat eiseres geen opvang heeft genoten in 2013 en 2014, en is het standpunt van non-response onjuist.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, stelt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen binnen zes weken en veroordeelt verweerder in de proceskosten en griffierecht. De compensatieregeling is van toepassing vanwege vastgestelde vooringenomenheid, maar compensatie mag niet worden geweigerd zonder voldoende bewijs van ernstige onregelmatigheden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder dient binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
Voetnoten
1.Zie productie 89 van het bezwaardossier. In deze brief is aan eiseres het voornemen kenbaar
2.Zie productie 90 van het bezwaardossier. In dit besluit is aan eiseres een boete opgelegd van
3.Zie productie 8.92 bij het verweerschrift. Deze brief is afkomstig van de Belastingdienst/Toeslagen en is destijds aan deze rechtbank toegezonden in het kader van een door eiseres gevoerde beroepsprocedure over haar recht op kinderopvangtoeslag voor de jaren 2013 en 2014. In deze brief staat dat de FIOD in 2014 een onderzoek is gestart naar [gastouderbureau 2] en dat daaruit is gebleken dat eiseres geen opvang heeft genoten. In de brief staat verder dat uit gevonden betaallijsten en gevorderde bankgegevens blijkt dat het verstrekte voorschot kinderopvangtoeslag verdeeld werd tussen eiseres en de houders van [gastouderbureau 2] , dat de houders van [gastouderbureau 2] veroordeeld zijn voor fraude en dat de door eiseres opgegeven gastouder [gastouder] de echtgenote is van de feitelijk leidinggevende van [gastouderbureau 2] en dat gebleken is dat zij geen opvang heeft verzorgd. Met betrekking tot [gastouderbureau 3] is in deze brief toegelicht dat in 2014 op drie verschillende dagen controles hebben plaatsgevonden en dat niemand is aangetroffen op de opvanglocatie. Eiseres heeft daarnaast niet aangetoond alle kosten voor [gastouderbureau 3] te hebben voldaan. Gezien het feit dat er via [gastouderbureau 2] geen opvang heeft plaatsgevonden, twijfelt verweerder aan de overgelegde stukken van [gastouderbureau 3] . Verweerder is daarom van mening dat ook geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag voor opvang via [gastouderbureau 3] .
4.Zie productie 83 van het bezwaardossier.
5.Zie productie 13.
6.Zie voetnoot 2.
7.Zie voetnoot 3.
8.Zie productie 43 van het bezwaardossier.
9.Zie productie 44 van het bezwaardossier.
10.Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 72 en 73.
11.Dit staat in het Informatievergaringskader 2012 van de persoonlijk zaakbehandelaar, zie bladzijde 10 van productie 81 van het bezwaardossier.
12.Zie productie 30 van het bezwaardossier.
13.Zie productie 45 van het bezwaardossier.
14.Zie de voetnoten 8 en 9.
15.Zie het Informatievergaringskader 2013 en 2014, bladzijde 18 en 19 van productie 82 van het bezwaardossier.
16.Zie voetnoot 3.
17.Zie het verweerschrift onder 2.14.
18.Zie de producties 60 en 64 van het bezwaardossier.