ECLI:NL:RBDHA:2025:17649

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
26 september 2025
Zaaknummer
NL24.41919
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.13 VV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag erkenning referent voor verblijfsdoel arbeid wegens twijfel continuïteit onderneming

Eiseres, die koerierdiensten aanbiedt binnen de Benelux sinds 2002, heeft een aanvraag ingediend voor erkenning als referent om een Sri Lankaanse vreemdeling in haar onderneming te laten werken. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres niet was opgenomen in het register van Stichting normering arbeid. Na verwijdering van een code uit het handelsregister was opname niet langer noodzakelijk, maar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) bracht een negatief advies uit vanwege twijfel over de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming.

Tijdens de hoorzitting erkende de gemachtigde van eiseres dat zij niet had voldaan aan het verzoek van de RvO om aanvullende financiële informatie te verstrekken. Eiseres stelde dat de late indiening van financiële stukken te wijten was aan haar boekhouder en dat zij groot belang had bij erkenning vanwege het stoppen van een vennoot. De minister zag echter geen reden om de stukken alsnog aan de RvO voor te leggen.

De rechtbank oordeelde dat het advies van de RvO zorgvuldig en inzichtelijk was en dat de minister dit terecht aan zijn besluitvorming ten grondslag had gelegd. De late indiening van stukken en het belang van eiseres waren onvoldoende zwaarwegend om het negatieve advies te negeren. Het beroep werd ongegrond verklaard, de afwijzing bleef in stand en eiseres kreeg geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor erkenning als referent is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.41919
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres (gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Kanters).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor erkenning als referent voor het verblijfsdoel ‘arbeid’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 februari 2024 (primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 27 september 2024 (bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Eiseres was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiseres biedt koerierdiensten aan, met name voor het vervoer van medicijnen binnen de Benelux. Zij is gestart met deze activiteiten op 1 januari 2002. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor erkenning als referent, omdat zij een Sri Lankaanse vreemdeling op het oog heeft die de taken van de vennoot [vennoot] zou kunnen overnemen.
3. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen, omdat niet was gebleken dat eiseres is opgenomen in het register van Stichting normering arbeid.
4. Op 19 juni 2024 heeft er een ambtelijke hoorzitting plaatsgevonden over het bezwaar van eiseres. Tijdens die hoorzitting is gebleken dat eiseres de code “uitleenbureaus” heeft laten verwijderen uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Als gevolg daarvan is opname in het register van Stichting normering arbeid niet langer noodzakelijk.
Ook is besproken dat er bij de minister na het raadplegen van de overgelegde financiële jaarcijfers twijfel is gerezen over de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming. Aan eiseres is daarom gevraagd om stukken te overleggen die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) kunnen helpen een compleet beeld te krijgen van de financiële gezondheid van de onderneming.
5. Op 4 juli 2024 heeft de minister advies gevraagd aan de RvO. De RvO heeft op 27 september 2024 een negatief advies uitgebracht, waarbij de door eiseres overgelegde informatie is betrokken. Daarin is het volgende toegelicht:
“ [eiseres] , de aanvrager, is gestart met de activiteiten op 1 januari 2003. Er is geen sprake van een startende onderneming als bedoeld in artikel 1.13, tweede lid VV. Aanvrager verzorgt koeriersdiensten van met name medicijnen binnen de Benelux. Overgelegd zijn een aangifte inkomstenbelasting 2021 en 2022 van de vennoten. Zij laat zowel ultimo 2021 als 2022 een negatief ondernemingsvermogen zien. Ultimo 2022 was het negatief ondernemingsvermogen
€83.959 op een balanstotaal van €463.655 en daarmee niet solvabel op dat moment. Ultimo 2023 is het eigen vermogen €5.480 op een balanstotaal van €463.655 echter is het werkkapitaal €172.777 negatief en daarmee is aanvrager niet liquide meer.
Derhalve is op 20-08-2024 door ons om aanvullende informatie verzocht. Het betreft:- Inzicht in de financiële ontwikkelingen van 2023 en het eerste halfjaar 2024. Een jaarrekening 2023 en interne balans- en resultatenrekeningoverzicht van het eerste halfjaar 2024 ondersteund met Btw-aangiftes 2024 voldoet daar aan.
Tot op heden heeft aanvrager hieraan geen gehoor aan gegeven en is daarmee de continuïteit niet aannemelijk gemaakt.”
Volgens de minister is het advies van de RvO op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De RvO heeft expertise en verschaft op een objectieve en gemotiveerde wijze volledige informatie. De minister is uitgegaan van de inhoud van het advies en heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Twijfel over de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming
6. Eiseres voert aan dat er geen reden is om te twijfelen aan de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming. Eiseres wijst erop dat zij tijdens de hoorzitting heeft toegelicht dat door de coronapandemie de vraag naar specialistisch binnenlands vervoer van medicijnen en PCR-testen explosief toenam, wat leidde tot een aanzienlijke omzetgroei. Na de pandemie hebben de bedrijfsactiviteiten zich genormaliseerd en is de omzet weer op het gebruikelijke niveau van vóór de pandemie gekomen. Eiseres heeft ter onderbouwing hiervan in beroep financiële stukken overgelegd (met als titel: “jaarrekening 30-06-2024”). De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting erkend dat eerder geen gehoor is gegeven aan het verzoek van de RvO om aanvullende informatie te verstrekken. Eiseres heeft echter groot belang bij de erkenning als referent in verband met de voortzetting van bedrijfsactiviteiten. De vennoot wil namelijk stoppen en heeft iemand gevonden die het werk voor hem wil doen. De boekhouder gaf niet aan wanneer de stukken klaar zouden zijn, en heeft deze niet op tijd aangeleverd. De stukken moeten daarom – ondanks de late indiening - worden voorgelegd aan de RvO.
7. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting aangegeven dat zij geen aanleiding ziet om de stukken voor te leggen aan de RvO. Eiseres kan deze stukken overleggen bij een nieuwe aanvraag.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een advies van de RvO kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de minister voor de uitoefening van zijn bevoegdheden. Daartoe dient het advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent te zijn. Als aan deze eisen is voldaan, mag de minister het advies aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het advies.
9. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft betwist dat het advies van het RvO van 27 september 2024 inzichtelijk en concludent is. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het advies van de RvO aan de eisen voldoet en dat van de inhoud daarvan kan worden uitgegaan.
10. Verder hoefde de minister geen aanleiding te zien om de in beroep overgelegde stukken voor te leggen aan de RvO. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiseres eerder niet heeft voldaan aan het verzoek van de RvO om aanvullende informatie te verstrekken. Eiseres heeft ook niet bij de RvO om uitstel verzocht. Dat eiseres, zoals op de zitting is verklaard, dit niet heeft gedaan omdat de boekhouder niet kon aangeven wanneer de stukken klaar zouden zijn, komt voor rekening en risico van eiseres. Dat de vennoot wil stoppen en iemand heeft gevonden om zijn werk over te nemen, acht de rechtbank ook onvoldoende zwaarwegend. Eiseres kan immers een nieuwe aanvraag indienen, waarbij zij de stukken alsnog kan overleggen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van haar aanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 juli 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.