Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[minderjarige 2], en
[minderjarige 3],
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 25 april 2025 in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening, ingediend ter ondersteuning van het beroep, samen met de hoofdzaak op 15 juli 2025 behandeld. De gemachtigden van beide partijen waren aanwezig, verzoekster zelf was niet aanwezig.
Op dezelfde dag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Gezien deze uitspraak acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wijst het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak deed op het beroep.