ECLI:NL:RBDHA:2025:17212
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting na herhaalde asielaanvraag
Verzoeker diende een herhaalde asielaanvraag in kort voor zijn geplande uitzetting naar Tunesië, waarna de minister besloot de uitzetting niet op te schorten. Verzoeker stelde dat hij geen eerdere aanvraag kon indienen vanwege ontoegankelijkheid van zijn advocaat en dat hij nieuwe bedreigingen kon onderbouwen, maar leverde geen concrete bewijsstukken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker voldoende tijd had om eerder een aanvraag in te dienen en dat de ingediende aanvraag niet onderbouwd was met relevante nieuwe feiten. De verklaringen over bedreigingen werden niet als objectief verifieerbaar beschouwd en er was geen aannemelijk bewijs dat Tunesische autoriteiten geen hulp konden bieden.
Daarnaast werd het beroep op gezinsleven met een zwangere Oekraïense vrouw niet aannemelijk gemaakt, mede gezien eerdere verklaringen over een relatie met een Duitse vrouw. Ook de medische situatie van verzoeker werd niet onderbouwd.
Gezien het spoedeisend belang maar het ontbreken van een redelijke kans van slagen werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting wordt afgewezen wegens gebrek aan redelijke kans van slagen.