De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de grootouders vaderszijde. De minderjarige verblijft daar sinds maart 2025 vanwege zorgen over de opvoedcapaciteiten en emotionele beschikbaarheid van de moeder.
De gecertificeerde instelling heeft gemotiveerd dat ondanks positieve ontwikkelingen bij de moeder, zoals een begeleid-wonenvoorziening en psychologische begeleiding, de situatie nog pril is en de minderjarige rust en structuur nodig heeft. De moeder heeft wekelijks contact met de minderjarige, maar het contact is nog onvoldoende uitgebreid en de moeder moet haar vooruitgang bestendigen.
De moeder voert verweer en vraagt afwijzing of verkorting van de machtiging tot uithuisplaatsing, stellende dat de machtiging niet meer nodig is nu de vader het ouderlijk gezag heeft. De vader ondersteunt de verlenging vanwege de wisselende communicatie met de moeder en de noodzaak van stabiliteit voor de minderjarige.
De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld, dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijft in het belang van de verzorging en opvoeding. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd tot 16 augustus 2026.