ECLI:NL:RBDHA:2025:1714

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2025
Publicatiedatum
10 februari 2025
Zaaknummer
NL25.3674
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde op 5 februari 2025 het beroep van een Turkse vreemdeling tegen de maatregel van bewaring die op 25 januari 2025 door de Minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De maatregel was gebaseerd op het risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken, mede omdat hij Nederland illegaal was binnengekomen en geen geldig paspoort of visum bezat.

De vreemdeling betwistte de zware grond voor bewaring, stellende dat hij een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen had ontvangen en derhalve rechtmatig verblijf genoot ten tijde van de oplegging. De rechtbank oordeelde echter dat de zware grond betrekking had op de wijze van binnenkomst in Nederland, die onrechtmatig was, en dat dit samen met lichte gronden zoals het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan, een significant risico op het onttrekken aan toezicht rechtvaardigde.

De ambtshalve toetsing leidde niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3674

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1983 en de Turkse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [2] en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware grond [3] is in de maatregel vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

En als lichte gronden [4] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist zware grond 3a. Hiertoe voert hij aan dat hij op 20 januari 2025 een terugkeerbesluit uitgereikt heeft gekregen. In dit terugkeerbesluit is aan hem een vertrektermijn van 28 dagen gegeven, zodat hij ten tijde van de oplegging van de maatregel van bewaring rechtmatig verblijf had.
4. De rechtbank stelt vast dat zware grond 3a ziet op de wijze waarop een vreemdeling Nederland inreist. Eiser beschikt niet over een paspoort of visum waarmee hij Nederland mocht inreizen. Verder verklaart hij in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring dat hij op illegale wijze Nederland is ingereisd en via Nederland naar Engeland wilde afreizen. [5] Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de zware grond 3a, naast de lichte gronden, terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring om een significant risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toets
5. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 10 februari 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Proces-verbaal van gehoor van 25 januari 2025, p. 4 van 7.