ECLI:NL:RBDHA:2025:17110

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 september 2025
Publicatiedatum
17 september 2025
Zaaknummer
NL25.38986
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwParagraaf A3/6.3 VcECLI:EU:C:2022:858
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat het Openbaar Ministerie (OM) betrokken had moeten worden bij de uitzetting vanwege mogelijke strafrechtelijke procedures.

De rechtbank overwoog dat uit de Justitiële Documentatie bleek dat eiser slechts een strafbeschikking voor een overtreding had ontvangen, en dat er geen lopende strafrechtelijke procedures waren die uitzetting zouden verhinderen. De rechtbank oordeelde dat verweerder geen contact hoefde te zoeken met het OM voor toestemming tot uitzetting.

Daarnaast voerde de rechtbank een ambtshalve toetsing uit op de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022. De maatregel werd niet onrechtmatig bevonden.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38986

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is (telefonisch) verschenen mevrouw De Windt. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toestemming Openbaar Ministerie
1. Eiser betoogt dat uit vaste rechtspraak volgt dat, wanneer voor een vreemdeling een uitzetting gepland staat, verweerder het Openbaar Ministerie (OM) moet vragen of zij bezwaar hebben tegen deze uitzetting. Ook is niet uitgesloten dat er andere strafrechtelijke procedures tegen eiser lopen waarvoor een verklaring van geen bezwaar van het OM vereist is. Het enkel verwijzen naar de Justitiële Documentatie (JD) getuigt niet van een correcte toepassing van deze vaste rechtspraak.
2. Uit paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat in ieder geval geen uitzetting van vreemdelingen plaatsvindt ondanks het feit dat de vertrekplicht van kracht is als een vreemdeling aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1. de vreemdeling is als verdachte van een strafbaar feit aangehouden en het strafonderzoek is niet door het OM beëindigd;
2. de vreemdeling heeft een strafvervolging wegens een misdrijf lopen en op de strafvervolging is niet onherroepelijk beslist;
3. de vreemdeling is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld en de opgelegde straf of strafrechtelijke maatregel is niet ondergaan;
4. aan de vreemdeling is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de vrijheidsontnemende maatregel is niet ondergaan.
In deze genoemde vier situaties mag wel tot uitzetting worden overgegaan als het OM of het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) hiertegen binnen drie werkdagen geen bezwaar maakt.
3. In het geval van eiser is niet gebleken dat een van deze situaties aan de orde is. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 18 augustus 2025 volgt dat eiser op 2 mei 2025 een overtreding heeft begaan waarvoor op 3 mei 2025 een strafbeschikking (een geldboete van € 675,-) is opgelegd. Hiermee is geen sprake van een actieve vervolging wegens een misdrijf of een strafonderzoek dat nog niet door het OM is beëindigd. Evenmin is sprake van een veroordeling of een gevangenisstraf die nog niet of niet volledig is ondergaan. Ook is niet gebleken van andere strafrechtelijke procedures tegen eiser. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde verweerder dan ook geen contact te zoeken met het OM om na te gaan of bezwaar bestaat tegen de uitzetting van eiser. Voor zover eiser hiermee heeft willen betogen dat er in eisers concrete geval geen zicht op uitzetting bestaat, slaagt dit betoog dus niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.