Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
1) Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst
2) Eisers verklaringen over zijn seksuele gerichtheid
De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, net als in eisers eerdere procedure. Eisers seksuele gerichtheid is niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die zijn asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Gronden van beroep
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat een onjuist toetsingskader is gehanteerd. Daartoe overweegt de rechtbank dat het een herhaalde asielaanvraag betreft, waarbij in eisers eerdere procedure in rechte vast is komen te staan dat eisers biseksuele geaardheid niet geloofwaardig is. De minister dient de herhaalde asielaanvraag dan ook te beoordelen in het licht van de eerdere, in rechte vaststaande, asielaanvraag, hetgeen de minister ook heeft gedaan. De rechtbank overweegt verder dat, zoals eveneens volgt uit WI 2019/17, in lhbti-zaken het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling bij het persoonlijke en authentieke verhaal van de vreemdeling ligt . Dat de minister derhalve onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de documenten, in strijd met WI 2024/6, volgt de rechtbank niet. Uit het bestreden besluit blijkt daarnaast dat de brieven van het COC in het voordeel van eiser zijn meegewogen, nu eiser hiermee heeft aangetoond dat hij de bijeenkomsten heeft bijgewoond als deelnemer en vrijwilliger. [2] De minister heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat het zwaartepunt ligt op de eigen verklaringen van eiser. In dit kader heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in wat de bijeenkomsten met eiser doen, wat het hem oplevert en op welke wijze de bijeenkomsten hebben bijgedragen aan eisers verbeterde vermogen om te verklaren. Daarbij heeft de minister kunnen overwegen dat eiser weliswaar heeft verklaard dat hij door de bijeenkomsten geen schaamte meer ervaart om te spreken over zijn seksuele gerichtheid, maar dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn angst- en schaamtegevoelens zijn verdwenen en op welke manier eiser beter kan verklaren. De minister heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vaag en summier heeft verklaard over zijn relatie met [naam 2]. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser het uiterlijk van [naam 2] als ook de positieve eigenschappen van [naam 2] slechts in algemene termen heeft omschreven en dat eiser niet heeft kunnen aangeven wat het adres van [naam 2] is, terwijl eiser daar meer dan 20 keer zou zijn geweest. De minister heeft zich op zitting evenmin ten onrechte op het standpunt gesteld dat de emoties die eiser heeft getoond tijdens het gehoor nadat hij over zijn relatie met [naam 2] heeft verklaard, niet kunnen opwegen tegen eisers summiere verklaringen. Gelet op het voorgaande heeft de minister eisers homoseksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
8. De minister heeft ter zitting de tegenwerping ten aanzien van eisers verklaring over het dragen van unisekskleding laten vallen, zodat de daartegen gerichte beroepsgrond geen bespreking meer behoeft.