ECLI:NL:RBDHA:2025:16980
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M.C. Kleijberg
- G.A. van der Straaten
- S.A. van Hoof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het beroep tegen ophouding van een vreemdeling en bevoegdheid bestuursorgaan
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen zijn ophouding op 29 augustus 2025, waarbij zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. De ophouding duurde van 18:10 tot 21:05 uur op dezelfde dag. De rechtbank onderzocht tevens de vraag welk bestuursorgaan bevoegd is om een besluit tot ophouding te nemen.
De rechtbank concludeerde dat de bevoegdheid tot ophouding berust bij de ambtenaren belast met grensbewaking of toezicht op vreemdelingen, en niet bij de minister van Asiel en Migratie. Dit volgt uit artikel 50 en Pro 50a van de Vreemdelingenwet 2000. De ambtenaar die de ophouding uitvoerde, had een machtiging afgegeven aan medewerkers van de afdeling Juridische Zaken van de IND om hem ter zitting te vertegenwoordigen, waardoor de vertegenwoordiging rechtsgeldig was.
Het beroep van eiser dat de ophouding onrechtmatig was vanwege schending van het verdedigingsbeginsel door late indiening van stukken, werd verworpen. De rechtbank stelde vast dat de relevante stukken tijdig waren toegevoegd en dat eiser geen inhoudelijke bezwaren tegen de ophouding had ingediend of toegelicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt ongegrond verklaard omdat de ophouding rechtmatig was en het verdedigingsbeginsel niet is geschonden.